Author Archives: Sander Spaans

Japan (30 maart – 19 april 2016)

Standard

Osaka
Op woensdag 30 maart 2016 landden we op het vliegveld van Osaka waar we werden opgehaald door onze vriend Tano, een jongen die Lisa had leren kennen in Sydney. Tano spreekt goed Engels, is geïnteresseerd in andere culturen en erg enthousiast om zijn cultuur met ons te delen. In zijn studentenhuis worden ook kamers verhuurd via AirBnb en hij had voor ons bij zijn huisbaas een korting kunnen bedingen. Zijn gezelligheid, gastvrijheid en behulpzaamheid maakten dit de perfecte manier om ons avontuur in Japan te beginnen. Het bleek geen overbodige luxe om iemand bij ons te hebben die de stad kende en de taal sprak, want veel staat alleen in Japans schrift aangegeven en de meeste mensen spreken niet of nauwelijks Engels. Onze eerste belevenis was een bezoek aan een “convenient store”. In Japan kennen ze relatief weinig gewone supermarkten zoals in Nederland en maakt men veel gebruik van kleine supermarktjes vergelijkbaar met de “AH to go”. Voor ons een interessante vuurdoop in het Japanse assortiment. “Tano, what is this?” “Tano, what does it say?” “Tano, is this vegetarian?” Onze introductie in de verschillende smaken rijstballen (en hoe je ze uit de verpakking haalt) en hoe we konden herkennen welke daarvan vegetarisch waren, zou ons de rest van de reis nog goed van pas komen!

Een broodje uit de supermarkt; je moet er van houden…

 

Wilt u schone billen? Kies maar hoe!

We bezochten het kasteel van Osaka; prachtig gelegen en, zo zou later blijken, in de typische stijl die alle Japanse kastelen kenmerkt. Ook gingen we naar een feestje speciaal georganiseerd voor buitenlanders en Japanners om elkaar te leren kennen. Dit werd een erg gezellige avond ondanks dat de meesten zo slecht Engels spraken dat we ze nauwelijks konden verstaan.

Japan is het land van de aardbevingen. Je kunt niet enige tijd in Japan verblijven zonder er eentje mee te maken. De Japanners hebben zelfs een speciale app die ze waarschuwt en informeert over aardbevingen. Toen Lisa op vrijdagochtend nog haar kater lag uit te slapen, was Sander al wakker en voelde hoe alles begon te schudden. Het hield wel dertig seconden aan en hij zag een schilderij een paar keer van de muur af komen en terug ertegenaan vallen. Hoewel Tano wel gewaarschuwd was door zijn app, viel het allemaal mee en was er nergens schade. En Lisa? Die sliep gewoon lekker door. We sliepen twee nachten in een traditionele Japanse kamer met een “tatami”-vloer, “futons” (opklapbare matrassen) en als hoogtepunt voor Lisa: een “kotatsu”. Dit is een laag tafeltje met een ingebouwde verwarming en een deken erover waar je in kleermakerszit onder kunt zitten. Een mooie ervaring!

Hiroshima
Op zaterdag 2 april vertrokken we met een zeer comfortabele bus naar Hiroshima. Eén van de argumenten om nu al naar Japan te gaan, was dat we het Hanami-seizoen zouden meemaken. Deze voorjaarsperiode is zeer populair onder de Japanners en toeristen vanwege de vele kersenbomen die dan in bloei staan. Dit zorgde inderdaad voor prachtige plaatjes en ook het uitzicht onderweg was prachtig door de kleurrijke bossen die we passeerden in heuvelachtig landschap.

Ook in de bus waren er leuke “snufjes”

Een nadeel van dit populaire jaargetijde was echter dat we niet, zoals we gewend waren, op de bonnefooi naar steden toe konden gaan in vertrouwen dat we wel een betaalbare accommodatie zouden vinden. Met veel moeite hadden we een dag van tevoren een hostel in Hiroshima gevonden dat relatief goedkoop was omdat het pas net geopend was en nog veel korting gaf om zichzelf te promoten. Het bleek een fantastische keuze. Het hostel was prachtig en het personeel nog mooier; zo vriendelijk en behulpzaam. Ze organiseerden zelfs een paar keer per week een gratis tour naar verschillende bezienswaardigheden in de omgeving. Ze hadden hun eigen bus en de eigenaar van het hostel reed ons hoogstpersoonlijk naar een prachtig gelegen oud cultureel dorpje op een uur rijden van Hiroshima. Een medewerker van het hostel was mee als gids, maar leek meer vereerd met ons gezelschap dan andersom. Ondanks zijn gebrekkige Engels deed hij zijn uiterste best om het ons optimaal naar de zin te maken. Het dorpje geniet zijn status als toeristische attractie (met name voor Japanners) voornamelijk dankzij haar theater waar ze “kagura” voorstellingen spelen. In tegenstelling tot de optredens die we in Indonesië hadden gezien, maakte dit veel indruk op ons. De dans was mooi op de muziek afgestemd, de kostuums met maskers waren prachtig en de paar snelle kostuumwisselingen (onder onze ogen, maar nauwelijks waarneembaar) waren geniaal. Omdat het de opening van het theaterseizoen betrof werd er afgesloten met een loterij; een hele happening. Lisa kon al behoorlijk tellen in het Japans en ik was het aan het leren, dus voor ons was het steeds de sport om te horen welk getal genoemd werd. Onze groep werd bijgestaan door een oud Japans mannetje die onder luid gejuich van ons uiteindelijk zelf in de prijzen viel. Weer zulke lieve mensen!

Ook bezochten we hier onze eerste “onsen”, een Japans badhuis (vaak met sauna). Deze zijn meestal gekoppeld aan een hotspring, waarvan er door de vele vulkanische activiteit logischerwijs veel zijn. Onsens bezoeken is een belangrijk onderdeel van de Japanse cultuur. Publieke onsens zijn in principe altijd gescheiden en je baadt er naakt. Tano was erg verbaasd toen ik hem vertelde dat we in Nederland veel gemixte naakt-sauna’s hebben. “Don’t all men want to go there then?!” 🙂 Belangrijk bij het bezoeken van een onsen is dat je een zogenaamde “face towel” bij je hebt waarmee je je wast voordat je de baden in gaat. In de eerste badruimte zijn altijd een hoop douches met zeep, shampoo, etc. en een teil die je kunt vullen om over jezelf heen te gooien. Allemaal éénpersoons plekjes, maar wel in een openbare ruimte. Verschillende mensen zitten dus naast elkaar of met de rug naar elkaar toe op een krukje zich te wassen. Een apart gezicht en even wennen! De face towel neem je mee en mag je blijven gebruiken om jezelf mee op te frissen of je kruis mee te bedekken, maar hij mag onder geen beding het water in de baden raken. Dat wordt als onhygiënisch gezien. Het enige minpuntje aan de onsens is dat het water vaak erg warm is. Met name voor Sander vaak net iets té warm om goed te kunnen ontspannen. Gelukkig is er vaak ook een koud-waterbad, waar Sander erg van houdt.
Bij aankomst terug bij het hostel regende het en werden we één voor één onder een paraplu naar binnen begeleid. En dat voor zo’n vijf meter. Even later kregen we nog een verrassing: een enveloppe met daarin een origami-werkje en de eerder gemaakte groepsfoto, als bedankje voor het meegaan. Wat heerlijk, die service, die details, die attentheid!

Prachtige “sakura” (bloesem) in Hiroshima

Op maandag 4 april bezochten we het centrum van Hiroshima, dat een flinke tramrit van ons hostel verwijderd was. Grappig is dat je in principe zelf verantwoordelijk bent voor het betalen van het juiste bedrag (o.b.v. het station waar je bent opgestapt), hoewel de conducteur dat in ons geval wel onthield. Als hulp hierbij of om het eventueel te bewijzen kun je op het station uit een automaat (onbeperkt) een bonnetje trekken met daarop de naam van dat station (in Japanse tekens). Hoewel we ons afvragen of dit ooit nodig is als bewijs; er is zoveel vertrouwen en eerlijkheid – en het is natuurlijk geen waterdicht systeem. Ons hoofddoel was de “A-bomb dome” en de bijbehorende monumenten en musea. De dome is het karkas van één van de weinige gebouwen in die omgeving dat de atoombom ‘overleeft’ heeft. Het hele park staat nu symbool voor de strijd voor wereldvrede. Het was erg indrukwekkend om daar rond te lopen, de informatie te lezen, de ooggetuigenverslagen te lezen en te beluisteren, etc. We hadden ons nooit zo gerealiseerd dat het niet eens zozeer de straling was die de bom zo verschrikkelijk maakte (natuurlijk werd het daardoor nog zo’n 30% erger), maar dat de explosie / impact van de bom zelf zo groot was (de grootste ooit). Dat één bom een hele stad in brand zette. Indrukwekkend en een belangrijke toevoeging aan deze reis door Japan. Raar om te bedenken dat zo’n respectvol volk zich destijds zodanig misdragen heeft in die oorlog dat ze dit over zichzelf hebben afgeroepen. Wat daar gebeurd is, is niet te bevatten.

The A-bomb Dome

Op dinsdag gingen we naar het eiland Miyajima. Slechts een klein stukje met de tram en veerboot; mooi ritje. Het eiland heeft een aantal hoogtepunten: Itsukushima Shrine, een Boeddhistische tempel en het uitzicht op de top van het eiland. Deze “shrine” (een soort tempel van de “shinto” religie) wordt ook wel de “watertempel” genoemd omdat deze op een soort steigers is gebouwd en bij vloed het water er helemaal onderdoor loopt. Bij eb echter zit er geen water onder en is het weinig bijzonder. Zoals eigenlijk alle shrines is het bouwwerk zelf maar kaal (geen beelden o.i.d.) en wat saai. De toegangspoorten (“torii”) spelen vaak een belangrijke rol. Ook bij deze was die tori het meest indrukwekkend omdat ie heel groot is en een heel stuk de zee in staat. Alleen bij volledige eb staat ie droog en kun je er helemaal heen lopen. Wij hadden pech met de timing. Toen we aankwamen om 11 uur ‘s ochtends was de vloed net geweest en was het water al onder de shrine weg en zou het nog uren duren voordat het water op het laagste punt was, waarna het dus weer zes uur zou duren voordat het weer op zijn hoogste punt was. We konden op het stuk tussen de shrine en de tori lopen, dat was wel grappig.

Leuk ook hier was dat we heremietkreeftjes zagen; klein maar duidelijk herkenbaar. Grappige beestjes die slepen met hun huisje (schelp). We besloten de shrine zelf nog niet in te gaan, maar te wachten tot het water weer hoger zou staan. We liepen daarom eerst door naar de Boeddhistische tempel. Deze had (ook traditioneel) juist veel beelden en interessante architectuur. Het was leuk om daar rond te lopen.

Een greep uit de Japanse tempelbeelden

Vervolgens begonnen we aan de klim naar boven. Het was een wandeling van ruim een uur en redelijk warm. Voor Lisa was het best pittig, maar het was ook lekker om ons weer even zo in te spannen. Het uitzicht op de top was echt fantastisch mooi! Je keek over zee met allemaal kleine eilandjes tot aan een prachtige mistige horizon. Dit was het mooiste stuk van een überhaupt prachtig 360 graden panorama. Dit was voor ons één van de absolute hoogtepunten van Japan en zelfs één van de mooiste uitzichten van onze hele reis.

Terug naar beneden gingen we met een spectaculaire cable car. Echt zoals in de skigebieden. Blijkbaar hebben ze die veel in Japan om naar de toppen van bergen te komen. We sloten de dag af bij de Itsukushima shrine. Het water was vlak voor sluitingstijd nog steeds niet helemaal onder de shrine, helaas. Maar het was prachtig om foto’s te maken van de tori bij zonsondergang. De overtocht met de ferry terug naar het vaste land na zonsondergang was heerlijk ontspannen. We voelden ons voldaan na deze mooie dag. Ons bezoek aan Hiroshima was echt een groot succes. Wat heeft Japan veel te bieden!

Kobe
Op onze weg terug naar Osaka, verbleven we twee nachten in een “love hotel” (zie Zuid-Korea) een eindje buiten Kobe. Mede door het slechte weer en om even bij te komen, hebben we daar een dagje op onze luxe hotelkamer doorgebracht.

Onze badkamer met jaccuzzi, tv en kunstwerk

Aan het eind van de dag bedachten we ons dat we niet genoeg contant geld meer hadden om zowel deze avond te eten als de volgende dag met de tram terug te kunnen naar het station van Kobe. Op zoek dus naar een pinautomaat. Eerst twintig minuten lopen naar het centrum van het dorpje waar we zaten, waar bleek dat alle lokale geldautomaten onze pasjes niet accepteerden (inclusief onze credit cards!). We hadden nog net genoeg geld om de vrij dure, halfuur durende tramrit naar Kobe station te maken, dus zonder verdere intentie om het centrum van Kobe in te gaan, reisden we een uur om een pinautomaat te vinden en te kunnen eten. Daar vond de moeilijkste McDonalds bestelling plaats die we ooit hebben meegemaakt. Ondanks dat de jongeren op school verplicht Engels leren, kunnen ze er in de praktijk helemaal niets van. De McDonalds lokte ons naar een bijzonder winkelcentrum. In het winkelcentrum hadden ze twee aparte ‘amusement winkels’ vol met grijpautomaten! Heel apart. Ook allerlei varianten op de klassieke grijpautomaten zoals wij die kennen. Dit was echter nog niks vergeleken bij de “Arcade” waar we daarna naar binnen gingen. Dit was een enorme hal met allerlei soorten gok- en speelautomaten. Gokken is verboden in Japan, dus je kunt nergens geld winnen, alleen materiële zaken (in alle vormen en maten: knuffels, snoep, seksspeeltjes, huishoudelijke apparaten, flessen wijn, etc. – je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt het daar winnen). Maar het mooie is dat er dan even verderop weer handelaren zijn die deze producten omwisselen tegen geld. Zo gokt Japan dus legaal in kermisachtige casino’s, terwijl gokken verboden is. Ook opvallen waren de grote schermen met stoelen ervoor die ook allemaal weer een eigen scherm hadden, waarop mensen management spellen speelden zoals voetbalmanager. Zo had je dus een hoek voor voetbal, maar bijvoorbeeld ook voor paardenrennen. Je had machines met vecht- en strategiespellen en veel machines met behendigheidsspellen zoals dance-dance-revolution. Geweldig om de Japanners daarop te zien spelen; niet normaal hoe goed sommigen daarin zijn. Echt een gekkenhuis. We keken onze ogen uit!

Kyoto
Van vrijdag 8 tot maandag 11 april verbleven we in een eenvoudig studiootje in een flatgebouw in een buitenwijk van Osaka en bezochten vanuit daar twee dagen op rij Kyoto, de culture hoofdstad van Japan. Het overgrote merendeel van alle tempels en shrines in Japan, staat in Kyoto. Ons eerste doel was de Fushimi-inari shrine. Bijzonder aan deze shrine is het enorme aantal torii die over een route van een aantal kilometer achter elkaar staan. Je kon naar een heuveltop lopen en daarbij ging je dus constant onder torii door. In het begin was het schuifelen in een lange rij, maar langzaamaan werd het minder druk en maakten we een aangename wandeling.

In Kyoto begon de echte jacht naar stempels. Lisa had in Ishikushima bij Hiroshima een stempelboekje gekocht. Stempelboeken zijn een Aziatische hobby. Ze zijn met name bedoeld voor de stempels van tempels (door een monnik handgeschilderde iconen met de naam van de tempel), maar ook treinstations en zelfs benzinestations hadden vaak eigen stempels. Opvallend was dat we veel Japanse vrouwen in kimono’s zagen lopen. Een groot deel daarvan was toeriste – op veel plekken kon je kimono’s huren voor één dag. Maar leuk dat je die traditionele cultuur hier nog zo tegen komt.
Na de Fushimi-Inari shrine liepen we wat door het centrum en kwamen we bij het theater. In verband met het hanami-seizoen werden hier in april dagelijks voorstellingen gegeven door geisha’s en maiko’s (geisha’s in opleiding). Dit is één van de weinige mogelijkheden voor het brede publiek om geisha’s ‘in actie’ te zien. De voorstellingen voor deze dag bleken helaas allemaal uitverkocht (vier tijdstippen). We wilden hier graag naartoe en wisten nu dus dat we er de volgende dag op tijd bij moesten zijn!
Daarna bezochten we Kiyomizu-dera; een shrine bovenop een enorme houten steigerconstructie, dat één van de grootste houten bouwwerken ter wereld zou zijn. Daarbij was een fontein met ‘heilig’ water, waar we nog even voor in de rij zijn gaan staan. Je moest drinken uit houten bekers aan een stok, die gereinigd werden doordat ze steeds teruggeplaatst weden in vakken met een soort infrarood straling. Het traditionele met het technische verenigd: Japan! Tegen de avond kwamen we langs een park waar hanami gevierd werd: overal etenskraampjes en veel picknickende mensen. De bloesem begon op zijn einde te raken, maar er waren nog steeds mooie bomen en een erg leuke sfeer.

Kiyomizu-dera

Op zondag stonden we dus extra vroeg op om ondanks de lange reis (ongeveer anderhalf uur) op tijd in Kyoto te zijn. Voordat de kassa van het theater open zou gaan, wilden we nog de Sanjusangen-do bezoeken. Dit was een hal met duizend beelden van één verschijning van Boeddha; de duizendarmige Kannon (een Boeddha-verschijning met veel armen). Ze stonden in rijen opgesteld met in het midden één reusachtige ‘opper’versie. En allemaal van goud. Erg indrukwekkend!
Vervolgens waren we keurig bij openingstijd bij de kassa en bemachtigden we kaartjes voor de voorstelling. Deze was inderdaad heel bijzonder. Aparte, niet altijd even mooie, maar wel sfeervolle muziek en het dansen / acteren dat daar prachtig op aansloot. Echte vakvrouwen!
De laatste echte ‘must see’ in Kyoto was de “gouden tempel” Kinkaku-ji. Op papier een prachtig plaatje en in het echt ook wel mooi, maar de drukte deed daar wel wat aan af. Misschien was het door onze te hoge verwachtingen, maar op de één of andere manier maakte het niet zoveel indruk op ons. Misschien ook gewoon veel van hetzelfde in zo’n korte tijd.

Zo op de foto is ie toch wel mooi…

Op de terugweg was het een leuke puzzel om uit te zoeken welke combinatie van treinen het snelste zou zijn terug naar ons station in Osaka. Je had op één lijn wel vijf verschillende soorten treinen: Limited Express, Express, Semi-express, de sub-semi-express en de “local”, referend aan het aantal stations dat ze oversloegen. Ons station in Osaka was klein, dus daar stopte alleen een local, maar we konden met een express-trein één station te ver doorreizen, om dan weer een local terug te nemen. Een heerlijk bizar systeem!
Terug in Osaka hebben we de hele avond op een trap in het trappenhuis gezeten. De wifi kwam uit het kantoor een paar etages hoger en bereikte onze kamer niet. Na lang wikken en wegen besloten we daar onze definitieve terugvlucht te boeken. Door de beslissing om over negen dagen al te gaan, konden we ons financieel ineens een hoop permitteren. Het laatste gedeelte van onze reis stond dus echt in het teken van kwaliteit in plaats van kwantiteit. Een fijn gevoel. Maar toch ook een heel raar besef dat het einde van de reis nu ineens zo dichtbij en definitief was!

Op maandag 11 april gingen we nog een dagje naar Nara, de Japanse hoofdstad voordat Kyoto (en later Tokyo) dat werd. Nara is de Boeddhistische tegenhanger van het Shinto-Kyoto, maar lang niet zo groot en druk. Het hoogtepunt voor ons daar was een tempel met daarin een reusachtige Boeddha en daarbij een steen met een gat erin, die de grootte van het neusgat van de Boeddha zou representeren. Het was een toeristische sport geworden om te kijken om te kijken of je door dat gat paste (en waarschijnlijk bracht dat geluk). Het lukte Sander in twee pogingen toen hij door had dat je het beste met je armen eerst kon gaan. Lisa had een stuk of vijf pogingen nodig gehad, toen Sander haar er onder applaus van de omstanders doorheen wist te trekken. Erg grappig!

‘s Avonds ontmoetten we Tano in het busstation van Osaka en namen we samen de nachtbus naar Tokyo. Dat was een leuk weerzien!

Tokyo
Dinsdagochtend 12 april 2016 kwamen we aan op het gigantische station van Tokyo. We hadden afgesproken met Daisuke, die Tano en Lisa in Tokyo Village in Sydney hadden leren kennen. Het was een gezellige dag waarop ze ons meenamen naar een restaurant voor okonomiyaki en manjayaki: Japanse hartige pannenkoeken (de eerste meer uit de regio van Osaka en de laatste meer uit Tokyo en van vloeibaarder beslag). In ons restaurant kregen we de verschillende ingrediënten, maakten we zelf het beslag en bakten we dit op een hete plaat in onze tafel. Eigenlijk een soort gourmetten in een restaurant. Verder kochten we tickets voor een honkbalwedstrijd waar we de volgende avond heen gingen. Honkbal is dé nationale sport in Japan en deze wedstrijd ging tussen de twee grote clubs van Tokyo: titelverdediger The Swallows en The Giants, verreweg de populairste club in Japan. The Swallows speelden thuis, dus kochten we kaartjes voor de Swallows tribune: “Go! Go! Swarrows!”. Helaas bleek dat de verkeerde keuze; ze werden hard ingeblikt. Jammer, maar het was een gave ervaring door alle show eromheen.

Donderdagochtend vroeg zijn we naar een training van sumo-worstelaars gaan kijken. Lisa had daarover gelezen in een tijdschrift voor toeristen. Het was lastig te vinden, maar gratis toegankelijk. Het was in kleine, speciale sportzaal en we zaten er echt super dicht op. De enige voorwaarde was dat je een mondkapje droeg. Jammer genoeg zagen we alleen de kleineren ‘wedstrijdjes’ doen. Maar toch indrukwekkend om te zien! De impact waarmee die tegen elkaar op knallen… als ook omvang van de grootsten en de rare loopoefeningen en evenwichtsoefeningen die zij deden.

Donderdagavond brachten we los van elkaar door in andere delen van de stad. We verbleven allebei in een “capsule hotel”. Dat is een hotel waarbij je op een slaapzaal je eigen capsule hebt (een beetje als een honingraad), die niet veel meer is dan een bed met wat faciliteiten als tv, lampjes, radio, etc. Verder zit er vaak een sauna / badruimte in deze hotels en daarom zijn de meesten voor enkel vrouwen of mannen. Dit was zoiets typisch Japans dat we graag nog wilden ervaren, zelfs als dit betekende dat we de avond gescheiden door moesten brengen. Een bijzondere ervaring!

De capsules

Er waren nog twee dingen die we erg graag wilden ervaren en waar we extra budget voor uitgetrokken hadden: een verblijf in een “ryokan” (een onsen met hotelfunctie) en een verblijf in een tempel. Het kostte wat moeite om het gepland te krijgen, maar de volgende twee dagen trokken we erop uit om deze laatste wensen in vervulling te laten gaan. Op vrijdag 15 april reisden we met de “bullit train” (Shinkansen), die meer dan 300 km/u haalt, naar Ito. Het ryokan was prachtig. Het lag tegen een berg aan en had twee baden op de benedenverdieping. We konden via een klassieke “funicular” omhoog naar onze kamer. Een prachtig grote, klassieke Japanse kamer, waar we bij aankomst thee geserveerd kregen door de dienstvrouw. We hadden een prachtig uitzicht en ook op die verdieping was nog een buitenbad. Allemaal met natuurlijk warm water van de plaatselijke vulkaan. De service was weer formidabel en we voelden ons even goed verwend en heerlijk ontspannen.

De Shinkansen

 

We droegen traditionele badhuis-outfits

 

Onze futons

De volgende dag werden onze reis-skills weer even op de proef gesteld toen we via een stuk of vijf treinen, via Tokyo, van Ito (ten zuid-westen van Tokyo) naar Chichibu (ten noord-westen van Tokyo) moesten zien te komen. We kwamen nog net op tijd aan voor de pick-up service van het station naar de tempel (20 minuten rijden en geen openbaar vervoer). De tempel lag prachtig afgelegen in de bergen. Het uitzicht alleen al was zeer de moeite waard. Tegelijk met ons was er een grote groep jongeren en nog een paar losse toeristen aanwezig. Eigenlijk werd het daardoor iets meer een toeristische attractie dan een meditatieve plek waar je tot rust komt, maar de ervaring was nog steeds bijzonder. De monnik was zeer gastvrij, vriendelijk en open. We begonnen met het kopiëren van een “sutra” op papier als meditatieve oefening. Later droeg hij deze voor in een soort gebedssessie. Ondertussen konden we gewoon rondlopen en van de rust en het uitzicht genieten. Tijdens het diner was er eten in overvloed. Het was volledig vegetarisch (veganistisch zelfs), maar erg gevarieerd met een aantal lekkere dingen en een aantal bijzondere smaken. Na het eten legde de monnik uit over zijn vorm van Boeddhisme: “zazen”. De uitleg in het Japans was wat uitgebreider dan in het Engels, maar hij deed enorm zijn best om Engels te praten en onze vragen te beantwoorden. Leuk was dat Lisa op het laatst het initiatief nam om hem een ‘stempel’ in haar stempelboek te laten zetten. Hij ging daarvoor speciaal aan zijn studeertafel zitten. Prachtig om te zien hoe ontzettend kundig hij hierin was en dat met een totaal ontspannen houding. Vervolgens kwam iedereen aan met zijn of haar stempelboek en is hij wel een half uur bezig geweest met stempels schilderen. Buiten had hij een hotspring en een mooi badje gebouwd tegen de bergwand, afgeschermd van iedereen, maar met open zicht op de omgeving. We hadden goed opgelet, zodat we er op tijd bij waren toen die weer vrij kwam. Slapen deden we in slaapzalen. Of beter gezegd: in twee hallen waar we onze futons neer konden leggen; mannen en vrouwen gescheiden. De volgende ochtend hadden we weer een soort van gebed en vervolgens gingen we naar de prachtige meditatie zaal voor een zazen meditatie. De zaal had een open wand waardoor je tijdens het mediteren van het prachtige uitzicht te genieten. Daarna sloten we deze bijzondere ervaring af met ontbijt dat vergelijkbaar was met het diner van de avond ervoor en werden we teruggebracht naar het station.

Monnikenwerk

 

Uitzicht vanaf het klooster

Terug in Tokyo hadden we nog anderhalve dag om zoveel mogelijk van de stad te zien. Zo bezochten we Shibuya station, waar het standbeeld van de hond Hachiko (die waar die film over gemaakt is) staat en naast het zogenoemde “drukste kruispunt ter wereld”. Bijzonder is dat men hier niet alleen aan de zijkanten oversteekt maar ook kruislings midden over. Om de paar minuten vult het kruispunt zich met een mensenzee en dan in één keer is het weer leeg en kunnen de auto’s gaan rijden. Veel wijken in Tokyo hebben hun eigen karakteristieken, eigenaardigheden en cultuur. Dus we zijn met de metro kriskras de stad doorgereden om op allerlei plekken even de sfeer te proeven. We bezochten nog wat marktjes voor souvenirs en Lisa ging nog op kimonojacht. Op onze laatste avond aten we sushi in een restaurant met een lopende band. Niet eentje waarop constant eten wordt gepresenteerd dat je er naar believen af kunt pakken (zoals in Sydney), maar eentje waarover het eten vanuit de keuken met een sneltreinvaart naar de juiste tafel werd ‘geschoten’, met een alarmpje dat afgaat als het voor jou bestemd is. Weer een heerlijke belevenis!

Een handjevol speelgoedautomaten op een straathoek

 

Levend “Mario Kart”; zoiets vreemds kom je alleen in Tokyo tegen!

We sloten ons bezoek aan Tokyo, en daarmee onze wereldreis, die avond af met een rit in de monorail boven de wijk Odaiba. Deze wijk ligt op een kunstmatig eiland bij de haven van Tokyo en is bereikbaar via Rainbow Bridge (zo genoemd vanwege z’n kleurenprojecties in het donker). Hierop liggen een hoop moderne architectonische hoogstandjes en de wijk is prachtig verlicht in het donker. Een afsluiting in stijl.

Dinsdagochtend 19 april pakten we de trein naar het vliegveld van Tokyo. Het was zover. We gingen naar huis. Samen. Na twintig maanden vol met avonturen die we nooit allemaal zullen kunnen navertellen, maar waarvan er toch een heel aantal op deze blog beschreven staan. We hebben een hoop woorden gebruikt om zo levendig mogelijk te beschrijven wat we hebben meegemaakt. Maar eigenlijk is er maar één conclusie om onze reis samen te vatten: er zijn geen woorden voor!

Japan was een waardige afsluiter van onze reis. Zo vreemd. Zo gastvrij. Zo modern. Zo traditioneel. Zo mooi. Zo bijzonder!

Veel liefs,
Lisa en Sander

Advertisements

Busan, Zuid-Korea (28-30 maart 2016)

Standard

We landen op maandagochtend 28 maart 2016 vroeg in Busan, in het zuiden van Zuid-Korea en na Seoul de grootste stad van het land. De piloot had omgeroepen dat het 5 graden was, maar dat viel wel mee. Busan - zonsopgang vliegtuigHet was fris, maar de zon scheen en dat was een heerlijke combinatie! Die frisheid was echt heerlijk! Niet meer die zwetende warmte. Frisse lucht buiten en dan lekker warm binnen; zoals het hoort! Het hotel zoeken was wel even een uitdaging, want echt alles was in het Koreaans geschreven. We verbleven in een zogenaamd “love-hotel”. Deze hotels kom je veel tegen in dit deel van Azië en volgens de overlevering zijn ze ontstaan om ouders uit kleine huizen de kans te bieden in meer privacy dan thuis de liefde te consumeren. Maar ze doen gewoon dienst als hotel en voor onschuldige toeristen als wij is het een relatief goedkope alternatief om enige luxe te kunnen ervaren. Wow, wat een kamer! Spannend was het paneel met knoppen met Koreaanse tekens erop waarmee allerlei sfeerverlichting aan en uit kon. Van sommige knoppen zag je niet direct resultaat, waardoor je je toch ging afvragen wat je zojuist in werking had gesteld… Ook maakten we voor het eerst kennis met ‘de wc’. Deze piepte als je erop ging zitten en had allerlei knopjes waarmee je het ingebouwde bidet kon besturen. In de weken erna zouden we nog veel verschillende varianten van dit soort toiletten tegenkomen en eraan gehecht raken!

Busan had de uitstraling van een moderne wereldstad en toch hadden we er nog nooit van gehoord. Apart. Overal waar we kwamen werden we gewoon in het Koreaans aangesproken. Grappig is dat ze je hier met een standaard begroeting welkom heten als je ergens binnen komt (ook in het supermarktje). We sloten onze eerste avond hier af aan het strand op de boulevard met door neon verlichte wolkenkrabbers. De hoofdattractie daar was een grote brug boven de zee over de baai, waarop een hele show in LED-verlichting te zien was. We hadden besloten dat we ons uitgavepatroon iets meer los mochten laten. Niet dat we ons geld over de balk gingen smijten, maar we hoefden ook niet meer elke Won om te draaien en beleefden het wat meer als een vakantie. Dat zorgde voor wat meer ontspanning dan in de voorgaande weken.Busan - boulevard

De volgende ochtend ontbeten we bij een bakker om de hoek van ons hotel. We konden gelukkig zelf pakken wat we wilden hebben, want de man sprak geen woord Engels. Maar de gastvrijheid viel direct op en we kregen zelfs een extraatje toegestopt. Volgens mij omdat we westers waren. Wow. Dat was lang geleden; mensen die ons belangeloos iets geven omdat ze het leuk vinden dat we er zijn. Heerlijk! Daarna bezochten we een Boeddhistische tempel net buiten de stad. De omgeving was prachtig. Geen tropisch bos meer, maar een veel droger en ruiger landschap met veel kleuren door de lente. En dan zo’n tempel in de heuvels, prachtig! Busan - TempelOnze volgende bestemming was een cultureel dorpje dat, gelegen op een bergwand, uitkijkt over Busan. Heel toeristisch, maar wel leuk. We hadden gelezen dat het ook wel “de Machu Picchu van Azië” wordt genoemd. Dat is nogal overdreven. Het mag de veters van Machu Picchu nog niet strikken. Maar het was een bezoek meer dan waard.Busan - Cultureel dorp Grappig was dat we bij de ingang voor een klein bedrag een kaart konden kopen met daarop een stempelkaart. Op verschillende plekken in het dorp kon je een stempel halen; blijkbaar een Aziatische hobby. Lisa was natuurlijk meteen enthousiast en het zorgde wel voor een doel en een route bij het verkennen van het dorp. In Sanders ogen was het natuurlijk iets sufs, maar in de praktijk toch stiekem heel leuk!Busan - Stempelen

‘s Avonds gingen we iets doen waar we niet omheen konden: “Korean barbecue”! Dit is een concept dat hier heel veel voor komt en heel populair is. Elke tafel heeft een eigen barbecue. Alleen dat is al een leuk gezicht. Zo gauw je gaat zitten krijg je al water en “gimchi” (gefermenteerde groenten) voorgeschoteld. Sander bestelde twee soorten vlees die we op de barbecue moesten klaarmaken. Gelukkig hielp de ober ons, want blijkbaar moesten ze op verschillende manieren worden bereid. Het was erg lekker. Lisa kon gelukkig een bijgerecht van ei krijgen en er was een salad-bar, dus ze kon zoveel gimchi eten als ze wilde. Een leuke ervaring!

De dag erna moesten we alweer weg. Achteraf best jammer, want we waren erg nieuwsgierig geworden naar de rest van het land. Maar ja, er stond ons iets te wachten waar we ons nog veel meer op verheugden: Japan!

Op het vliegveld werden we nog wel even aan het schrikken gemaakt. Elke keer als we naar een nieuw land vlogen, zonder dat we een verdere vlucht hadden geboekt, werden we van tevoren bang gemaakt dat we gevraagd zouden kunnen worden naar “proof of onward travel”. Om die reden hadden we verschillende keren goedkope tickets geboekt, die we uiteindelijk niet zouden gebruiken, om maar op het vliegveld te kunnen aantonen dat we van plan waren het land ooit weer te zullen verlaten. Dit bleek altijd tevergeefs, want we werden er nooit naar gevraagd. Dit keer hadden we dan ook geen voorzorgsmaatregelen genomen. We wisten nog niet zeker of Japan onze eindbestemming zou zijn en hadden dus ook verder niets geboekt. En ja hoor, uitgerekend deze keer werden we gevraagd naar “proof of onward travel”. Het grappige hieraan is dat het zo schijnt te zijn dat douanebeambten er in de praktijk eigenlijk nooit naar vragen, maar dat het zo geregeld is dat wanneer iemand geweigerd wordt een land in te gaan, de vliegtuigmaatschappij verantwoordelijk is om diegene weer mee terug te nemen naar waar hij vandaan kwam. Om dit risico uit te sluiten controleren vliegtuigmaatschappijen dus soms wel op “proof of onward travel”. Gelukkig was het voldoende om een formulier te tekenen waarbij wij de financiële aansprakelijkheid bij eventuele weigering door de Japanse douane, overnamen van de luchtvaartmaatschappij. Hierdoor was het wachten in de rij voor de douane even later in Japan wel wat spannender dan normaal, maar (uiteraard) vroegen zij er totaal niet naar en mochten we gewoon het land binnen!

Zuid-Korea bleek een ontzettend goede keuze als tussenstop. Een hele leuke ervaring en een mooi voorproefje op Japan!Busan - selfieBusan

Maleisië (16 – 27 maart 2016)

Standard

Toen we onze tickets voor de vlucht naar Kuala Lumpur boekten, konden we kiezen uit twee vluchten van dezelfde luchtvaartmaatschappij, voor precies dezelfde prijs, op precies hetzelfde tijdstip. Dus we kozen er maar eentje. Wat maakt het uit zou je zeggen? Nou, dit maakte het uit: terwijl wij de mensen van die andere vlucht vrolijk in hun vliegtuig zagen stappen, kregen wij te horen dat ons vliegtuig vertraging had. En we zouden al laat in de avond aankomen. Laat aankomen in een vreemde stad is nooit prettig en we begonnen ons zorgen te maken of er nog wel een shuttle-bus zou gaan tegen de tijd dat wij aan zouden komen. Gelukkig viel het allemaal weer reuze mee, reed de bus gewoon nog en vonden we de weg naar het hostel vrij gemakkelijk. We waren inmiddels dan ook geen amateurs meer natuurlijk…

We schrijven 17 maart 2016 en we worden wakker in wederom een veel te warme hotelkamer zonder airconditioning. Gelukkig bleek dit hostel betaalbare privékamers mét airconditioning te hebben. Deze beslissing was snel genomen. Behalve soms wat geluidsoverlast vanuit de receptie was er weinig mis met deze kamer. En een beetje comfort kon niet op een beter moment komen. Nadat Lisa ziek was geweest in Medan, was Sander zich steeds minder fit gaan voelen. Terwijl we plannen aan het maken waren voor de komende dagen in en om Kuala Lumpur, werd steeds duidelijker dat we dat misschien wel even uit ons hoofd moesten zetten. Sander werd steeds beroerder en heeft uiteindelijk een aantal dagen in bed doorgebracht. Dit terwijl we een erg goed gevoel kregen bij deze stad. Hoewel Indonesië en Maleisië in veel opzichten op elkaar lijken, was deze hectische wereldstad een oase van rust vergeleken bij de Indonesische steden. Je kon gewoon op straat lopen zonder aangesproken te worden! En wat was het schoon! Gelukkig hebben we nog wel iets van de stad gezien, onder andere de enorme dagelijkse markt (waar Lisa zich gemakkelijk een hele week had kunnen vermaken) en een gigantisch winkelcentrum dat onder andere een pretpark met een heuse achtbaan huisvestte. De grote Indiase gemeenschap geeft veel kleur aan de stad. Een avond hebben we bij een hoog aangeschreven Indiaas restaurant gegeten. Opvallend hoe goedkoop dat nog steeds is. De setting was prachtig en naar goed Aziatisch gebruik liep er een overvloed aan personeel rond. Behalve dat Sander zich niet helemaal lekker voelde, waren alle ingrediënten voor een heerlijke maaltijd aanwezig. Maar dan moet je niet de fout maken om naïef te kiezen voor een gerecht, zonder te checken of het pittig is. Er stond geen teken voor “pittig” bij op de menukaart, maar dat zegt met de standaarden daar natuurlijk niets. Sander verwarde “massala” met “korma” en het bleek echt veel te pittig. Maar dan ook echt véél te pittig. Zodanig pittig dat hij het gewoon echt niet kon eten. Ze hebben geprobeerd om het nog iets minder pittig te maken door de saus eraf te halen en daardoor ging het net. Maar om het debacle compleet te maken had hij ook nog voor de specialiteit van het huis gekozen: konijn. Dit bleek zoveel botjes te bevatten dat ook dat het nog extra lastig eten maakte. Gelukkig had Lisa wel heerlijk gegeten!

Een beetje teleurgesteld dat we zo weinig van Kuala Lumpur en omgeving hadden gezien, maar wel met een wat opgeknapte Sander, vertrokken we op 21 maart per bus naar de heerlijk koele Cameron Highlands. Hooggelegen in het binnenland is dit de ideale plek om de benauwde warmte te ontvluchten. Een aangename temperatuur overdag en heerlijk koel in de avond. We verbleven twee nachten in Tanah Rata. Dit was een plaatsje dat volledig leek te draaien op toerisme. Toen we aankwamen en om een kaart van de stad vroegen werden we uitgelachen: er waren maar een paar straten. Volgens mij had het meer restaurants en hotels dan inwoners. En gek genoeg levert dat toch vaak wel een leuke sfeer op. Nog steeds erg op ons hoede om niet weer in een verkooppraatje terecht te komen, ontvingen we bij ons hotel vrijblijvend advies over wandelroutes. De mentaliteit in Maleisië bleek toch echt te verschillen van die in Indonesië. We hadden een route gekozen door het regenwoud naar de top van een berg op 2000 meter. Vlak voordat we het bospad insloegen, stonden we even verstijfd stil: een enorme slang stak de weg over. Bruin; nooit een goed teken. Heel gaaf, maar tegelijkertijd ook een beetje een eng idee voor de rest van de route. Ondanks het koelere klimaat in deze regio was het in het bos weer erg luchtvochtig en warm. Het was een lastig pad met veel klauterwerk. We misten wederom de vogels van Australië en Zuid-Amerika, maar we zagen een aantal interessante diertjes en planten.
Malaysia - pissebed
Eindelijk op de top verwacht je de altijd wachtende beloning voor je inspanningen: een prachtig uitzicht. Ging dat mooi even niet door. De berg was zo omgeven door wolken dat je gewoon tegen een witte muur aankeek. Wel stond er een oude, doorgeroeste uitkijktoren. Door daar met gevaar voor eigen leven op te klimmen konden we het uitzicht vanaf de andere kant van de berg zien en dat was prachtig; toch nog onze beloning! Malaysia - Cameron Highlands view vanaf de top
De route terug naar de bewoonde wereld voerde ons over een asfaltweg door de heuvels langs theeplantages. Het landschap van een theeplantage heeft een bijzonder uiterlijk: een soort groene lapjesdeken over de heuvels. Prachtig! En een theeplantage met bezoekerscentrum maakt een mooie tussenstop voor een pauze.

Toen we weer op weg waren, besloten we dat we het lopen wel mooi geweest vonden en regelden we een lift terug in de achterbak van een pick-up truck. We sloten de dag af bij een Chinees restaurant waar we een vegetarische “steamboat” bestelden. Dit is een Chinese versie van fondue. We kregen een gasstelletje met daarop een pan. Deze  had een scheiding in het midden en bevatte twee soorten bouillon (de ene heel kruidig en pittig en de andere neutraler). Daar kon je dan zelf allerlei groenten, champignons en tofu in gooien en er weer uitvissen. Leuk én lekker!

Woensdag 23 maart 2016 namen we de bus naar Georgetown op het toeristische eiland Penang (slechts een steenworp van de kust in het noorden van Maleisië). We zochten een goed aangeschreven hostel uit onze Rough Guide, maar deze konden we niet goed vinden en we vonden een betaalbaar alternatief. Het zag er allemaal niet zo fraai uit, maar onze kamer leek in orde. We betaalden iets extra om de stekker van de airco te huren, zodat we die konden gebruiken. De nacht mondde echter uit in een nachtmerrie voor Lisa. Er bleken “bedbugs” in het het bed te zitten en de volgende ochtend had ze op één arm alleen al meer dan 60 beten! Sander daarentegen geen enkele… Malaysia - BedbugsDe volgende ochtend zijn we zo snel mogelijk naar een fatsoenlijk hostel verhuisd, waaraan daadwerkelijk elk aspect beter was. Dat hadden we wel even nodig. Hier was het weer ontzettend warm en Sander had last van een blijvende verkoudheid die, gesteund door alle airco’s en ventilatoren, letterlijk op zijn voorhoofd drukte. Langzaam maar zeker kwamen we tot het besef dat we niet meer op deze manier verder wilden reizen. Een opstapeling van ongemakken en te veel warmte en daar tegenover te weinig enthousiasme vanuit onze kant voor wat deze regio ons op dit moment te bieden had. We waren toch wel wat verwend geraakt… Uiteindelijk was de conclusie: we verheugden ons zo om uiteindelijk naar Japan te gaan, dat het onzin leek om dat nog langer uit te stellen. Japan is echter duur en dit zou wel betekenen dat het einde van onze reis ineens drastisch naar voren zou worden gehaald. Het kostte Lisa even tijd om aan dat idee te wennen, maar uiteindelijk gaf het enthousiasme voor het idee dat we naar Japan zouden gaan de doorslag. We besteden veel van onze tijd in Georgetown aan het plannen van onze volgende reisstap, nogal tegengewerkt door het matige internet door de gehele stad. Dit alles nam niet weg dat Georgetown een erg leuke stad was, met veel verschillende culturele invloeden, waaronder die van een grote Chinese gemeenschap. We bezochten een mooi huis die had toebehoord aan één van de eerste grote Chinese zakenmannen die zich in Georgetown had gevestigd (de “Blue Mansion” van Cheong Fatt Tze), een tempel en een kattencafé (daar kun je thee drinken en met katten knuffelen; zo ziet Lisa’s Hemel eruit). We ontdekten een vegetarisch sushi-restaurant, waar we zo enthousiast over waren dat we daar de volgende dag terug gingen voor lunch en Sander exact hetzelfde bestelde als de avond ervoor. Op onze laatste avond in Georgetown ontdekten we de “food market” met een geniaal concept: een plein vol met genummerde tafeltjes omringd door talloze kraampjes gespecialiseerd in de meest uiteenlopende internationale keukens (van pizza tot dumplings) met over het algemeen kleine porties zodat je op veel verschillende plekken iets kon proeven. Je bestelde bij een kraampje, gaf je tafelnummer door en dan kwamen zij het bij je brengen en afrekenen. Drank was centraal geregeld en kon je bestellen bij een ober. Hier hadden we echt nog dagen kunnen eten! Maar helaas…

Op zaterdag 26 maart 2016 namen we de hoge snelheidstrein terug naar Kuala Lumpur en nestelden ons in hetzelfde hostel als de week ervoor. We kwamen laat in de avond aan, maar we wisten nog het kebab-/falafeltentje te vinden waar we eerder met smaak hadden gegeten. Wat is het fijn soms om een stad al te kennen!
Op onze laatste dag in Zuid-Oost Azië hadden we nog één doel: de Batu Caves. Daar waren we eerder niet aan toe gekomen omdat Sander ziek was. Het lag net buiten de stad, iets hoger zodat je prachtig over de stad uit kon kijken. Een indrukwekkend Boeddhabeeld stond voor een heel steile trap die leidde naar de grot waar het om ging. De locatie was mooi; een soort open stuk grot. En het was duidelijk een bedevaartsoort voor Hindoestanen. Malaysia - Batu Caves ingangMalaysia - Batu caves binnenNa een geslaagdere Indiase maaltijd dan de vorige keer in KL (zelfde straat, ander restaurant), moesten we nog wat tijd doden in het hostel voordat we naar het vliegveld konden vertrekken. Het was in dat uurtje dat ik definitief besloot om vanaf september aan de VU te gaan studeren.

Het was een apart gevoel om sneller afscheid te nemen van Zuid-Oost Azië dan gepland. Maar we hadden veel om ons op te verheugen..!

Finishing touch

Standard

Beste allertrouwste lezers van onze blog,

Het is vandaag precies een jaar geleden dat wij terugkwamen in Nederland. Veel tijd om stil te staan bij wat we hadden gedaan, was er niet. We moesten op zoek naar werk en een huis en aan het werk en aan de studie. Dat is allemaal heel goed gegaan en inmiddels zijn we hier weer erg op ons gemak.

Inmiddels hebben we al veel momenten gepakt om terug te kijken op onze avonturen en we voelen ons zeer rijk, terugkijkend op alle ervaringen die we hebben opgedaan. Het laatste dat nog ontbrak aan de “verwerking” van onze reis, was het afmaken van de blog.

Ook dit is nu volbracht. Vandaag, exact één jaar na thuiskomst, zetten we onze laatste verhalen online. Actueel is het niet meer, maar misschien toch nog steeds leuk om te lezen wat we destijds hebben meegemaakt.

Voor ons is de blog een prachtige samenvatting geworden van ons mooie en bijzondere avontuur!

Veel liefs,

Lisa en Sander

Japan - Hiroshima - Water Tori selfie

Java (Indonesië)

Standard

De overtocht naar Java vond plaats op 25 februari. Op weg naar de ferry hadden we een Duits stel ontmoet waarmee het goed klikte. Zij hadden een homestay geboekt in de buurt van één van de beroemdste vulkanen van Java, de Ijen. Ze waren van plan deze te gaan beklimmen en nodigden ons uit om met hen mee te gaan. Wij hadden nog geen duidelijke plannen, dus gingen we hier graag op in. De homestay was bij een rustige, vriendelijke man en zijn gezin in een klein dorpje in the middle of nowhere tussen de rijstvelden; een prachtige locatie. Het oogde en gedroeg zich nog steeds als een gewoon boerendorp, maar het was duidelijk dat toerisme voor een versnelde modernisering had gezorgd (wifi, smartphones, een gemotoriseerde ploeg ipv een os, etc).

image

Het dorp

image
image
image

image

Deze vogelsoort leeft verderop in de jungle. Dit exemplaar was ooit als kuiken gevonden. Hij is vrij om te gaan, maar komt nog graag nog gedag zeggen en is dol op papaya!

We hebben vast al eerder geschreven over de hedendaagse gewoonte om alles met zonsopgang (of zonsondergang) te moeten zien. Zo ook de Ijen. Ondanks onze enigszins opstandige aard, ontkomen wij er zo nu en dan niet aan dat ook wij tot de ‘mens’, een kuddedier, behoren. Dus we vertrokken om één uur ‘s nachts met een taxi naar de voet van de vulkaan. Het was een steile klim tot aan de krater, maar het pad was breed en verkeerde in goede staat. Het bereiken van de krater was leuk, maar waar het pas echt om ging was de afdaling in de krater naar de rand van het krater meer. Daar zouden namelijk de “blauwe vlammen” te zien zijn die de Ijen zijn roem bezorgen. Even voor de top, bood een mijnwerker zich aan als gids. Normaal gesproken proberen wij (om met name financiële redenen) alles zoveel mogelijk zonder gids te doen, maar in dit geval wilden wij wel een uitzondering maken. In de krater van deze vulkaan wordt namelijk sulfiet gewonnen. De mijnwerkers die dit doen hebben geen enkele technologische middelen tot hun beschikking en moeten alles op eigen kracht de steile krater uit dragen. Als ze het goed voor elkaar hebben, hebben ze dan bovenop een karretje, waardoor ze meerdere ladingen uit de krater kunnen halen (hoe meer sulfiet, hoe meer salaris) alvorens het naar beneden (de parkeerplaats) te rijden. Onze gids had niet eens zo’n karretje (te duur in aanschaf) en moest dus zijn lading ook nog eens het hele eind naar beneden sjouwen. Hij kon op deze manier slechts twee ladingen per dag doen (één lading kostte hem zo’n vier uur). Uiteraard wordt dit onvoorstelbaar zware werk ook nog eens gruwelijk slecht betaald. Zeker als je het afzet tegen de bedragen die wij hier uitgaven. Wij betalen het tienvoudige van een mijnwerkers dagloon aan een taxi, die ons in drie kwartier naar de vulkaan brengt. De inspanning die hiervoor wordt geleverd staat niet in verhouding met die van de mijnwerkers. Dit gaf ons een enorm gevoel van onrechtvaardigheid en we waren blij dat we op deze manier onze mijnwerker-gids financieel konden steunen.

image

Een mijnwerker aan het werk te midden van giftige rook.

image

Het gestolde sulfiet, klaar om gemijnd te worden.

image

Ruim 70 kg. Ik kon er nauwelijks een stap mee zetten. Onze gids droeg dit naar boven over het steile oneffen pad!

De reden dat je deze krater nog voor zonsopgang bezoekt is dat je in het donker de blauwe vlammen kunt zien die op een aantal plekken in de krater vrijkomen als gevolg van een bepaalde natuurlijke chemische reactie m.b.t. het sulfiet. Een bijzonder fenomeen; leuk om daar getuige van te zijn!

image

Het kratermeer met de giftige sulfietrook. De blauwe vlammen waren helaas niet goed vast te leggen.

image

Vlnr: Sander, onze gids, Elle, Georg en Maike

image

Een panorama vanaf de kraterrand.

image

image

Uitzicht tijdens de afdaling terug naar de parkeerplaats

Daarna hadden we een aantal reisdagen met tussenstops in Banyuwangi, waar we voor het eerst waren overgeleverd aan hurk-wc’s die je handmatig met een emmertje water moet doorspoelen, Probolingo, waar we tevergeefs drie uur bij een minibus richting de Bromo vulkaan hebben gewacht – deze zou alleen vertrekken bij voldoende mensen, maar op een paar Duitsers na kwam er niemand meer bij – en Surabaya, waar Lisa en Elle zich hebben uitgeleefd bij de eerste westerse supermarkt (Carrefour) en we het meest teleurstellende Chinatown ooit hebben bezocht.

image

Vaak kregen we geen dekbed en als we het kregen...

Het goede treinnetwerk van Java bracht ons vervolgens in Surakarta, ook wel Solo genoemd. Hier verbleven we bij een overenthousiast (kuchend en snuivend) mannetje die ‘iets driemaal hard herhalen’ verwarde met ‘duidelijk praten’. Het was goedkoop en dat was te merken. Nu kijken Lisa en ik niet meer zo op van een rat en een kakkerlak (voor Elle was dit nog even wennen), maar het zegt wel iets over de staat van de accommodatie als ze aan alle kanten om je heen rennen. Het was dan ook hier dat we elkaar aankeken en besloten voortaan iets meer geld in accommodaties te investeren.
Inmiddels waren we het geluidsterrorisme van de moskees wel enigszins gewend. Vijf keer per dag schallen ze hun goddelijk gejammer door de straten van die arme Indonesiërs en hun gasten. In deze wijk stond er op elke straathoek een moskee en ze gaan allemaal keurig samen af. Wat ons betreft iets te veel van het goede. Of het verkeerde. Of iets daartussenin. Het is immers een geloof, toch?

De eerste avond gingen we naar een dansvoorstelling. Waarom ze toch steeds het label “dans” overal opplakken is ons een raadsel. Het was een toneelstuk met af en toe wat pasjes. Op een scherm naast het podium kregen we steeds in het Engels een korte samenvatting van de scène te lezen. De dialogen in het Indonesisch duurden echter zo eindeloos lang, dat het voor ons wat slaapverwekkend was. Daarentegen waren de kostuums prachtig om naar te kijken.
image

Het mannetje van onze homestay had overal vriendjes voor. Één van zijn vriendjes was een beroemde “batik” ontwerper, die ook cursussen aan toeristen geeft. Lisa en Elle hebben deze cursus gedaan. Batik is een vorm van doeken en kleding kleuren en versieren door het gebruik van was. De cursus vond plaats in een atelier dat bij een batik winkel hoort. (Om daar te komen moet je eerst de winkel door, vol met verleidelijke producten!) We kregen allebei een klein opgespannen doek. Stap 1 is met potlood op het doek je ontwerp tekenen. Als beginner krijg je gelijk het advies om niet te klein te tekenen. (Lisa is van de kleine freutel tekeningen). Bij stap 2 werd naast ons een klein gasbrandertje geplaatst die een pot van klei vol met hete was warm hield. Met een batikpen, een soort van koperen bakje op een stokje, tekende we vervolgens ons ontwerp na. Je doopte de pen in de hete was, het bakje vulde zich met was, dat er vervolgens via de tuit langzaam uitliep. Het was even oefenen; niet te dunne en niet te dikke strepen trekken! Stap 3 is kleuring aanbrengen met een klein sponsje op een stokje. De verf is vaak anders dan het eindresultaat! Bij stap 4 werd alles gespoeld en werd met heet water de was eraf gehaald. Et voila! Onze batik doeken waren klaar!
image

Lisa had al sinds de eerste hotsprings op Bali last van een verstopt oor. Dit was nu een week geleden en begon inmiddels ook pijnlijk te worden. Dus we moesten onze geplande bezoeken aan de beroemde paleizen van Solo inwisselen voor een bezoek aan het ziekenhuis. Hier was het een drukte van jewelste en ons bezoek leidde tot enige hilariteit bij de dames achter de receptie, die ineens al hun kennis van de Engelse taal van stal moesten halen. De kno-arts sprak gelukkig voldoende Engels (met name binnen zijn jargon) en met een klein stofzuigertje wist hij al Lisa’s klachten weg te nemen. Een enorme opluchting! Toch weer een hele belevenis, zo’n Indonesisch ziekenhuis. Na een ziekenhuisbezoek in Marrakech, een spuit in haar bil van de dierenarts in Bolivia en de outback-verpleger in Australië, kan ze nu “op elk continent een dokter bezoeken” van haar ‘bucket list’ afstrepen!
Na het ziekenhuisbezoek wilden we onszelf trakteren op een iets duurder Italiaans restaurant: Oh Sólo Mío. De becek (fietstaxi) bestuurder blufte van tevoren dat hij de weg wist, maar moest onderweg aan iedereen de weg naar het restaurant vragen. Stel jezelf voor in een fietstaxi, met achter je een oud mannetje dat om de dertig seconden “Oh sólo míooo?” roept. Hilarisch toch? Wij vonden van wel. Maar misschien had je erbij moeten zijn… Wij besloten het mannetje maar uit zijn lijden te verlossen en hem naar een voor ons allebei bekende plek toe te laten rijden. Waarschijnlijk ook maar beter. We hadden op de heenweg naar het ziekenhuis al één van zijn (vele) collega’s bijna een hartaanval bezorgd. Oude Indonesische mannetjes zijn niet gemaakt om op de fiets een kwartier lang twee volwassen Europeanen rond te rijden.

image

Oh Sólo Mío?

De becakbestuurders zijn overigens een soort verkapte daklozen. Veel slapen ‘s nachts in hun becak langs de kant van de weg. Het lijkt erop dat iedereen die geen gewone baan kan vinden een becak koopt (of bouwt) en zo nog wat geld bij elkaar probeert te schrapen. Maar zoals met veel dingen in Indonesië zijn er hier ook weer veel te veel van, waardoor het geen rendabel beroep kan zijn. 
Bij gebrek aan tijd om om zelf de paleizen te bezoeken, moesten we genoegen nemen met de uitgebreide verslagen van Elle. Ons bezoek aan Solo was een interessante ervaring, maar om andere redenen dan we van tevoren hadden gedacht.

Vlak onder Solo ligt Yokyakarta, de culturele hoofdstad van Java. Er was veel te zien in de stad en na een wandeling waarin we door 100 verschillende mensen (fietstaxi’s, paard en wagens, gidsen, verkopers, etc) zijn aangesproken, kwamen we aan in het paleis van de sultan. Daar kregen we een rondleiding in het Nederlands. Deze bestond voornamelijk uit ingestudeerde taalgrapjes, die even leuk waren, maar steeds ergerlijker werden. Misschien dat we in het Engels meer informatie los hadden kunnen krijgen. Het hoogtepunt was een kijkje ‘achter de schermen’ bij de hofdames die met batik bezig waren. Uiteraard was Lisa meteen verkocht en kan ze nu zeggen dat ze eigenaar is van een sjaal die handgemaakt is door de hofdames van de sultan!
Eenmaal weer buiten hoopten we even rustig te kunnen zitten, maar in Indonesië is die hoop altijd tevergeefs. Een oud mannetje met een fietstaxi probeerde een gesprek met ons aan te knopen. We wisten dat het oude waterpaleis, een soort zomerverblijf van vroegere sultans, op loopafstand lag, dus we waren in eerste instantie niet geïnteresseerd in deze chauffeur. Opvallend was echter dat hij tegen ons zei: “Je kunt prima lopen, dan moet je daar en daarheen. Maar als je geen zin hebt om te lopen kan ik jullie ook brengen.” En vervolgens noemde hij een redelijke prijs. Een dergelijke oprechtheid kwamen we niet vaak tegen en dus besloten we van zijn aanbod gebruik te maken. Vervolgens bleek hij veel van het waterpaleis te weten en gaf hij ons een leuke, boeiende rondleiding; veel informatiever dan die van die grapjas in het echte paleis. Daarna fietste hij ons nog een stuk verder naar een restaurant. Hij bleek 74 te zijn en nog zo fit als een hoentje. Dé uitzondering die mijn eerder opgestelde regel over oude mannetjes met fietstaxi’s bevestigt!
image

De volgende dag huurden we een scooter om naar Borobodur te gaan. Elle was met een tour mee gegaan, maar wij hadden daar geen zin in. We wilden liever wat meer vrijheid. Het was zo’n anderhalf uur rijden, voor een groot deel door mooi buitengebied. Borobodur is een indrukwekkend Boeddhistisch bouwwerk met meerdere verdiepingen en in het midden één van de grootste stoepa’s ter wereld. Een stoepa is een boeddhistisch bouwwerk in de vorm van een soort stenen bel, die relikwieën van een heilige bevat. Het was mooi om op elke etage een rondje te lopen (voor zover dat kon, sommige delen waren helaas afgezet) en de vele in steen gekerfde beeltenissen en boeddhabeelden te bekijken. Het lopen van de rondjes (belangrijk onderdeel van het Boeddhistische ritueel) was ook een mooie manier om te ontsnappen aan de grote menigte, die voornamelijk de hoofdtrap op en neer liep. Toen we weer naar de uitgang wilden, werden we volledig omgeleid langs tientallen kraampjes die allemaal dezelfde souvenirs verkochten. Wederom een voorbeeld van Indonesische overdaad.

image

Zoek de stoepa

Op 5 maart verlieten we Yokya. Met een gezellige avond in het uitgaanscentrum van Bandung als tussenstop, bracht de trein ons in de Indonesische hoofdstad Jakarta. Tot dan toe hadden we nog niet veel gemerkt van het Nederlandse verleden dat Indonesië gekend heeft. We zagen het eigenlijk alleen terug in de taal die veel woorden van Nederlandse oorsprong kent: handdoek = handuk, kamer = kamar en uitlaat = knalpot. Je ziet het terug in administratieve zaken met woorden als “notaris” en “sekretaris”. En veel woorden uit de ambtenarij zoals “poskantor”, “loket” en “koffie”. Oh, en daarbij toch nog iets anders dat uit Nederland is overgewaaid: bitterballen! Niet helemaal hetzelfde, vaak met kaas in plaats van vlees. Maar toch, goede invloed!
Over ambtenarij gesproken, in Indonesië zijn ze niet vies van een beetje bureaucratie. Het gebeurt regelmatig dat je bij het ene loket een ticket koopt, welke je een meter later bij iemand anders weer in mag leveren. Een beetje dubbelop.
In Jakarta was meer van de Nederlandse historie terug te vinden. In het historisch centrum en in de oude haven waren herkenbaar Nederlands koloniale gebouwen te vinden. Hier hebben ze duidelijk van de Nederlandse elementen een toeristische attractie gemaakt. Toch leuk om rond te lopen.
image

image

Jammer dat we weer niet de tijd kregen om rustig om ons heen te kijken. Dit keer waren het groepjes middelbare scholieren die het op ons hadden gemunt. We hadden wel vaker de vraag gekregen van scholieren of ze ons mochten interviewen. Blijkbaar sturen scholen hun leerlingen regelmatig de straat op om buitenlanders te interviewen ten behoeve van de Engelse les. Het stelt weinig voor, dus daar werken we altijd braaf aan mee. Maar dit keer stond het hele plein vol met groepjes scholieren. Als het ene groepje met je klaar was, kwam er direct een ander groepje op je afgestormd. We voelden ons net celebrities die probeerden te ontkomen aan hun groupies. In het begin was het leuk, maar nadat we een halfuur lang alledrie los van elkaar het ene na het andere groepje hadden afgewerkt, werd het behoorlijk irritant. Had ik het woord “overdaad” al gebruikt?
image

image

Dit was overigens onze laatste dag samen met Elle. Zij ging op 7 maart in haar eentje verder naar Sumatra. Lisa en ik waren ook van plan die kant op te gaan, maar hadden eerst nog een kleine d-tour in gedachten.

Korte achtergrond van deze d-tour: Sanders opa heeft van 1946-1949 in militaire dienst in Indonesië gezeten. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen Indonesische onafhankelijkheidsstrijders in opstand tegen het Nederlandse bestuur en het Nederlandse leger probeerde daar een stokje voor te steken. Uiteindelijk hebben de Nederlanders zich in 1949 alsnog teruggetrokken uit Indonesië. Sanders opa is helaas een aantal jaar geleden overleden, dus we kunnen hem niks meer vragen, maar hij heeft een deel van zijn ervaringen uit die tijd opgetekend in zijn levensverhaal. Indrukwekkend om te lezen hoe ze zo jong en met zo weinig informatie (bijvoorbeeld over hoe lang ze weg zouden blijven) in een totaal onbekend land worden neergezet en ineens oorlog moeten voeren. Nu wij in datzelfde land waren, kwam zijn verhaal voor ons nog meer tot leven. Extra speciaal is ook dat Sanders opa hier Sanders oma heeft leren kennen, die als verpleegster werkzaam was. In een romantische bui zou je dus kunnen concluderen dat deze plek bepalend is geweest voor Sanders bestaan.
Opa is op drie plekken gestationeerd geweest: eerst in Buitenzorg (nu Bogor), daarna Tjitjoeroeg (nu Cicurug) en tenslotte Sukabumi. Ons plan was om dezelfde route af te leggen door vanuit Bogor een dagtrip naar de andere twee plaatsen te maken. Bogor ligt een uur met de trein onder Jakarta. Uit opa’s verhaal wisten we de straat waarin hij had gewoond. Deze straat bleek nog steeds één van de grote straten van Bogor die het station verbindt met de ingang van de befaamde botanische tuinen. Het was moeilijk om je in te beelden hoe het er toen uit moet hebben gezien – zo druk en bebouwd is het nu – maar met wat inlevingsvermogen en opa’s beschrijving kun je je er toch een voorstelling van maken. Bijzonder om op die plek te lopen! We brachten ook een bezoekje aan het toeristische hoogtepunt van Bogor, de botanische tuinen. Deze hadden in opa’s tijd al wereldwijde bekendheid en we hebben zelfs een foto van mijn opa genomen in die tuinen. Toen wij er waren begon het helaas al vrij snel te stortregenen. We hebben een uur geschuild en zijn toen afgedropen, dus veel hebben we er niet van gezien.

image

Buitenzorg (Bogor) met op de achtergrond de vulkaan Salak die opa destijds beklommen heeft.

De volgende dag hadden we onze trip naar Cicurug en Sukabumi gepland. Er zou een trein moeten rijden naar beide plaatsen, maar informatie hierover was moeilijk te krijgen en uiteindelijk bleek deze maar twee keer per dag te gaan waarvan één keer om 5.00 ‘s ochtends. Bleef over de optie tot het huren van een scooter. Dit was tot nu toe altijd de normaalste zaak van de wereld geweest in toeristische steden (ook op Java), maar de eigenaresse van ons hostel (die er ook op uit was om ons te strikken voor haar stadswandeling) deed alsof we gek waren: “this is no Bali”. Sander had online een verhuurbedrijf gevonden, maar die lag een eindje buiten het centrum. Het was lastig om erachter te komen hoe we daar moesten komen. Op straat wilde iedereen iets van ons, maar van enige behulpzaamheid was nauwelijks sprake. Zo gauw bleek dat wij niks wilden kopen, waren we niet interessant meer. Het gaat de meeste Indonesiërs die wij tegen kwamen maar om één ding: geld. Zelfs de tourist information was alleen maar bezig met ons een tour aan te smeren. Voor Sander, enigszins geëmotioneerd door de achterliggende gedachte bij deze dag, was al dit geschreeuw al snel te veel. Lisa toonde gelukkig meer doorzettingsvermogen waardoor we uiteindelijk een normale taxi (geen fiets of paard, maar auto!) vonden die ons maar de plek van bestemming bracht. Daar aangekomen echter bleek het verhuurbedrijf onvindbaar. Het had zo’n professionele website, maar leek in rook op te zijn gegaan. Voor Sander was dit een beetje de spreekwoordelijke druppel met betrekking tot zijn beeldvorming van Indonesië. Het is een mooi land om op vakantie te gaan met een westerse portemonnee. Dan kun je heerlijk alle toeristische dingen doen en je verbazen over hoe goedkoop alles is. Maar als je afhankelijk bent van deze lage prijzen en wel eens een onafhankelijk plan wil trekken, moet je erg sterk in je schoenen staan. Wat dat betreft staat de “durian” vrucht symbool voor Indonesië. Deze vrucht vind je hier overal. Zijn geur is zeer omstreden, maar als je je hierdoor niet te veel laat afschrikken en je open staat voor een nieuwe smaak, word je beloond met zoetheid. En tsja, de ene keer heb je nou eenmaal meer zin om iets uit te proberen dan de andere keer. Voor ons was het nu in ieder geval niet helemaal het geschikte moment.

image

Een durian vrucht

We sloten echter ons bezoek aan Indonesië nog wel af met een lekker toetje: een jungle tocht in het noorden van Sumatra. Daarover snel meer!

Liefs,
Lisa en Sander
image

Bali (Indonesië)

Standard

Op 18 maart vlogen we van Sydney naar Bali. Daar op het vliegveld ontmoetten we Elle, een goede vriendin van Lisa, die ook aan een reis door Zuid Oost Azië ging beginnen en de eerste paar weken met ons optrok. Voor Lisa erg bijzonder om na zo’n lange tijd weer een vertrouwd gezicht van thuis te zien! Meteen viel de broeierige warmte op, die ons tijdens ons gehele verblijf in Indonesië zou vergezellen. Bali is geheel Hindoeïstisch en dat is aan alles te merken. Overal staan offers en beelden, en op elke straathoek staat een tempel. Alle huizen hebben een speciale aanbouw in de vorm van een kleine tempel of een mausoleum. In de week dat wij op Bali waren, hebben we wel drie verschillende vieringen meegekregen, met name in de vorm van grote processies. Dat schijnt daar aan de orde van de dag te zijn. Al die versieringen geeft het eiland een prachtige sfeer!

image

Deze hingen overal met het oog op een belangrijk festival binnen een aantal weken.

image

Beeldjes waren vaak aangekleed, apart gezicht.

image

Beelden in alle vormen en maten.

We verbleven de eerste dagen in Ubud, het culturele hart van Bali. We hadden één van de mooie kamers, gesitueerd achter in de tuin van een familie. Dit concept genaamd “homestay” is in Indonesië heel gebruikelijk en is er in alle soorten en maten: van een hotel in iemands tuin tot een bezemkast op iemands zolder. Onze gastheer was sympathiek en behulpzaam.

image

Saté en gado-gado!

Ubud had een leuke sfeer. De straten waren altijd druk met auto’s en scooters, overal scooters. Hoogtepunten in Ubud waren:
– Monkey Forest. In een stuk bos leven verschillende makakenfamilies. In theorie zouden ze kunnen ontsnappen – de omheining over klimmen is voor zo’n aap een fluitje van een cent – maar ze hebben het daar zo goed dat die behoefte er blijkbaar niet is. Voor een makaak zijn maar twee dingen belangrijk: eten en seks. Met zowel alle bananen die ze van toeristen krijgen plus het eten van de verzorgers als de grote hoeveelheid soortgenoten, voldoet deze plek ruimschoots aan beide voorwaarden. Ondanks dat het wat onnatuurlijk aanvoelt is het toch erg leuk om zoveel apen om je heen en op je te hebben. Absoluut een belevenis!
image

image

image

Bovendien was het ook gewoon een heel mooi bos.

– We hebben een traditionele dansvoorstelling bijgewoond. Gelukkig kregen we een beschrijving van het verhaal op papier. Het bestond voor het grootste gedeelte uit een groep mannen die chantten in elkaar afwisselende tempo’s. En het sloot af met een man die over gloeiende kolen liep. ‘Dans’ was een groot woord – choreografisch stelde het bitter weinig voor – maar het was heel anders dan wij gewend zijn en daardoor leuk om mee te maken.
image

Tijdens deze open lucht voorstelling begon het overigens ineens keihard te regenen. Dat was waar ook. Het is regenseizoen in Indonesië! We hebben vier weken lang haast elke dag regen gehad. Soms hele dagen lang, soms slechts een bui, maar er was geen ontkomen aan…
– Op onze tweede dag in Ubud huurden we een scooter (slechts een paar euro voor een hele dag) en reden we rond Ubud. Het scooterrijden was even wennen, maar Sander had het vrij snel onder de knie en gelukkig zijn ze hier in het verkeer gewend dat er van alle kanten scooters aan kunnen komen, dus zijn ze overal op berekend. Eigenlijk hebben we maar één echte regel kunnen ontdekken: als je inhaalt, toeter je. Het was een leuk ritje, dat echter een nare bijsmaak kreeg toen Lisa (met Sander achterop) in een steile, scherpe bocht naar beneden onderuit ging. Gelukkig hadden we erg (en misschien wel ‘te’) weinig snelheid, dus viel de schade mee. Sander kon eraf springen en Lisa kwam er vanaf met wat spierpijn en een flinke blauwe plek op haar been. Al met al weer een memorabele ervaring!
image

Bali is op een bepaalde manier een verwend eiland geworden. Doordat veel toeristen hier alles goedkoop vinden en zich daardoor luxe kunnen veroorloven, is alles en iedereen hierop ingesteld. Zo is een groot gedeelte van het openbaar vervoer verdwenen doordat iedereen privé taxi’s neemt. Informatie krijgen over het openbaar vervoer dat er nog wel is, is haast onmogelijk doordat iedereen die je spreekt alleen maar geïnteresseerd is in het aanbieden van “transport?!”. Na een paar uur tevergeefs in the middle of nowhere in de regen op een bus te hebben staan wachten, legden we er ons maar bij neer dat we op dit eiland voortaan met de taxi van a naar b moesten gaan.
We verbleven twee nachten in Kedisan, prachtig gelegen aan het Baturmeer. Hoogtepunt daar was een bezoek aan de hotsprings aan de rand van het meer. Heerlijk zo’n dagje badderen!
image

Onze laatste bestemming op Bali was Lovina, aan de noordkust. Hier hadden we een volle dag gepland. Met zonsopgang zaten we in een bootje ‘op jacht’ naar dolfijnen. We waren bij lange na niet het enige bootje. Overal op het water dobberden toeristen. Onze stuurman deed wel erg zijn best om zijn eigen route te kiezen en slaagde er daardoor een paar keer in om als eerste bij een groep dolfijnen te zijn. Het begon goed. Vlak voor onze boot zwom een groepje dolfijnen en een aantal maakten de typerende tuimel-sprongen. Gaaf! Dat bleef lange tijd ook het hoogtepunt. Regelmatig kwamen we dichtbij groepjes dolfijnen, maar in plaats van met de boten te ‘spelen’ zoals gehoopt, bleven ze zoveel mogelijk onder water en vluchtten ze steeds snel weer weg. Dit ging zo een tijdje door totdat onze stuurman heel rustig een stuk van de andere boten af ging liggen en de motor uitdeed. Niet lang daarna zwommen overal om ons heen dolfijnen van een grotere soort, die hoger het water uitkwamen bij het ademen en zo veel beter zichtbaar waren. Een prachtig gezicht!

image

Vroeg op!

image

image

Vervolgens voeren we naar een ander plekje om te snorkelen. Op weg daarheen passeerden we een vissersbootje waarin een visser net in een strijd was verwikkeld om een prachtig grote zwaardvis binnen te halen; een indrukwekkend gezicht. Tijdens het snorkelen viel er verrassend veel te zien. Als je stil bleef drijven, kwamen er vissen op je af en werd er soms even aan je geknabbeld. Het hoogtepunt waren de grote blauwe en rode zeesterren!

image

Rechts de zwaardvis. Op de voorgrond een ander toeristenbootje en daarachter de visser.

image

Ons bootje. Kenmerkende traditionele boot voor Indonesië.

image

Terug aan wal was het tijd voor ontbijt en vertrokken we vervolgens op gehuurde scooters naar een tempel en weer een hotspring. Dit keer ging Elle ook mee en hadden we twee scooters gehuurd. Zo konden Lisa en Elle elkaar afwisselen en hoefden ze niet met iemand achterop te rijden. Het kostte Lisa even wat tijd om weer vertrouwen op te bouwen, maar dit keer ging het allemaal heel goed. We reden langs rijstvelden en over kronkelende dorpsweggetjes. Om de zoveel tijd ving je weer een vlaag wierook op of werd je ingehaald door een familie van vijf op één scootertje. De scooter is toch wel de beste en meest pittoreske manier om door Bali te reizen.

We verbleven in Lovina in een homestay van aardige mensen. Er zat alleen wel een bijsmaakje aan hun aardigheid. Elk vriendelijk gesprek eindigde steevast met de vraag of we iets wilden boeken. Het begon met de dolfijnentour en toen we die eenmaal hadden ging het om het transport richting Java. Waren er dan helemaal geen oprechte mensen hier op Bali? Gelukkig toch wel. Toen Sander bij een straatverkoper saté wilde bestellen bleek deze net uitverkocht te zijn. De wat oudere man en zijn vrouw stonden op het punt om naar huis te gaan. Zij spraken geen Engels, maar er stond toevallig een Australische jongen bij die in Lovina woonde en een beetje kon tolken. We kregen toch nog een restje saté als een soort proevertje en vervolgens kreeg Sander een schaal met een soort (orgaan)vleessoep in zijn handen gedrukt. Het was lekker, maar pittig! Toen hij het eindelijk op had – we voelden ons al schuldig dat Sander er zo lang over deed en we deze mensen dus ophielden – kwamen ze met de pan aanzetten en kreeg hij het laatste restje uit de pan er ook nog bij. We hadden er al flesjes water bij gekregen en het stel leek zich wel te vermaken met dit schouwspel. Tot nu toe hadden we geleerd dat je in Bali niets voor niets kreeg. Overal zat een prijskaartje aan. En voor onwetende toeristen werd dit prijskaartje altijd nog even snel wat hoger gemaakt dan normaal. De Australiër zei dat de prijs van de soep 10.000 rupiah was, dus Sander gaf de man 15.000 rupiah (= 1 euro) voor alles bij elkaar en we waren bang dat hij dit niet genoeg zou vinden. Maar tot onze grote verbazing gaf de man 5.000 rupiah terug! Natuurlijk ging het ons hier helemaal niet om het geld, maar het was zo prettig om een Balinees te ontmoeten die je niet alleen als wandelende portemonnee zag. Een ware verademing!

De volgende dag gingen we in één ruk door naar Java. De overtocht met de ferry duurde een half uurtje en kostte slechts zo’n 20 eurocent per persoon. Heerlijk, openbaar vervoer!

image

Zover liggen Bali en Java van elkaar af.

Los van de erg commerciële instelling van de meeste mensen op Bali, is het een prachtig eiland. De combinatie van de zeer aanwezige cultuur en mooie natuur maakt dit bezoek een bijzondere ervaring!

Liefs,
Lisa en Sander
image

Sydney part IV

Standard

On February 6th we arrived in Sydney for the third and last time. The same evening we put up an advertisement on Gumtree (no 1 website in Australia for backpackers who want to buy or sell anything) and got immediate responses. They were all a bit weird though. Very direct, no introductions, quite blunt in a way. “Hi mate, is your van still for sale?” Also, if we would respond with the suggestion that they could come and have a look, we got responses like: “Rockdale is so far.” And then heard nothing from them. No suggestion for an alternative, nothing. We felt we had to put so much energy in keeping the conversations going and we ended up driving to different locations in Sydney for viewings. We were a bit disappointed about this. Our first viewing was on Sunday evening . It took us a day of hard work to get Brenda in the best possible state. And she looked absolutely amazing. So clean! Cleaner than we thought possible.

image

Wouldn't you want a van like this?

The first viewers pointed out that the timing belt needed replacement. Therefore they were not willing to pay the 2800 aud we were asking. And we were not ready to drop the price yet. So, no deal.
The next day (Monday morning) Teddy, a French guy, came to our caravan park for a viewing. He was very young and shy but he had brought an older Dutch friend to look at the car. It was a weird situation. The Dutch guy did all the talking (in English) and looked at the van. Teddy was the one buying, but he had put all his trust in his friend. The Dutch guy even negotiated about the price on his behalf. He had pointed out the timing belt as well and offered us 2300 aud. It had only been two days since we had put the advertisement up, but we were ready for some peace of mind. The difficult communications and the uncertainty of it all gave us quite a lot of stress. We accepted the offer.
We had decided that we wanted at least 2000 aud for Brenda, so this still felt like a good deal. Teddy paid us a 100 aud deposit and we agreed that he would come and take the van with him on Wednesday. We were very relieved. Our biggest task had been completed.
But then on Tuesday night, we got a message from Teddy: “I am sorry, I can’t buy your van. There is a problem with my family and I have to go back to France.” This upsetted us greatly. We thought we had a deal and now we could start all over again. Finally on Thursday evening, Will, a Canadian guy, came all the way from Wollongong to see Brenda. He had actually written a very decent and nice message and we instantly felt a connection. Again we agreed on 2300 aud, thus having made a little extra profit because of Teddys deposit.
On Friday morning Will came back to take Brenda away from us. What a weird moment, seeing someone else driving off with what had been our most precious possession for such a long time. She had been so good to us! But it felt good to have sold her to a very nice guy who was obviously very happy with her. After saying goodbye to Brenda we put up our tent. Now our biggest concern was definitely gone and we still had a week to take care of some preparations and to enjoy our last days in Sydney.

image

Brenda about to leave us, driven by her new owner...

Lisa visited a GP to get a prescription for anti malaria tablets and calming tablets for her fear of flying. Her fear is getting worse and worse with every flight we take, but knowing that she now had something to help her calm down, immediately gave her some relief.
We also sent a package home with stuff we couldn’t throw away, but couldn’t take with us either. It will take two or three months to get home by ship. snail mail 🙂
The highlight of this last week was, at least for Lisa, our visit at the Chinese Garden of Friendship. We had been there before in March, the day before Sander flew home. That time Sander refused to dress up as a Chinese emperor. But he promised a very disappointed Lisa that if we would ever be in Sydney again, we would go back there and dress up. And ofcourse, Lisa had not forgotten…

image

Of course I can't deny her so much joy!

image

The gardens are actually a nice oasis in the city centre

Good timing though, ’cause it was the time of Chinese New Year. And Australia loves its Asians, so this got attention throughout the city. It gave the city an extra nice atmosphere and we even enjoyed a free introduction in the game of mahjong at Martin Place.

image

Dragon dances for prosperity in front of every shop in China Town, each time concluded by very loud fire crackers!


image

All signs of the zodiac scattered throughout the city


image

The ox was made out of gigantic mahjong tiles

image

Sander was born in the year of the rabbit


image

Lisa was not born in the year of the rooster, but she couldn't resist imitating this one

We ate at Sushi Hotaru twice that week. We are definitely going to miss our favourite restaurant!

image

A belly full of sushi

So that was it then. Goodbye Sydney, home away from home. Goodbye Australia. You were absolutely amazing! No words can do justice to how good you’ve been to us. We will miss you Sydney! Such a big thank you to all the wonderful people we’ve met and worked with. All the new friends, you will be missed!!!!

But as you know our trip didn’t end there. On the 18th of February we flew to Bali for a completely new and different chapter of our trip. We’re already writing that story 🙂

To all our mates and rellies,
Thanks for reading and lots of love from us!
image