Monthly Archives: October 2014

Ecuador in een notendop

Standard

We zijn er inmiddels al vier weken weg, maar toch willen we nog even terugkijken op onze tijd in Ecuador. Daarom hebben we hier de meest opvallende dingen op een rijtje gezet.

Vervoer
De bus is het ideale vervoersmiddel in Ecuador. Elk stadje heeft wel een centraal busstation en er zijn altijd verbindingen naar de grotere plaatsen in de omgeving. Mocht je niet bij een busstation staan, kun je op elk willekeurig punt langs de route de bus aanhouden. Ze werken niet of nauwelijks met haltes, dus bij het uitstappen roep je gewoon hard “gracias!” en de chauffeur trapt onmiddelijk op de rem, waarop de assistent je uitstappen begeleidt met een fanatiek: “baja! baja! baja! baja! baja!” (vrij vertaald: “stap uit!”), voor het geval je halverwege de trap zou vergeten wat je aan het doen was… Elke bus heeft zo’n assistent. Die zowel de functie van conducteur heeft als een soort van omroeper, waarbij hij met zo snel en zo hard mogelijk herhalen van de bestemming (“Canoa!Canoa!Canoa!Canoa!Canoa!Canoa!”) zoveel mogelijk mensen de bus in probeert te lokken. Er wordt soms bijna om je gevochten. Blijkbaar willen mensen je heel graag vervoeren. Zogauw je een busstation betreedt met je backpack worden er van alle kanten plaatsnamen op je afgevuurd. Het is ons niet geheel duidelijk of er achter dit fanatisme een puur financiële reden schuilt of dat het ook een soort service of perfectionisme is. Van ons mocht het soms wel iets rustiger, maar op deze manier weet je in ieder geval wel zeker dat je de bus die je nodig hebt ook vindt!
Een busreis is sowieso niet per sé een ontspannen aangelegenheid. Goede kans dat er cd van de Ecuadoriaanse Gerard Joling op staat of zelfs een dvd, waarbij ze zich ervan verzekeren dat ook de slechthorenden het prima kunnen volgen! Verder komt er regelmatig een optocht van verkopers binnen met flesjes water, cola, sappen, stukken kokos of ananas, sandwiches, popcorn, cakejes, snoepjes, koekjes, fruit, papipollo (kip met friet), dvds, panfluiten, etc. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze sjouwen het de bus in om er helemaal mee naar achter te lopen en weer terug. Als de bus niet lang genoeg stopt, rijden ze gewoon een stukje mee naar de volgende halte. Uiteraard alles begeleid onder het bekende concept: zo snel mogelijk herhalen van het/de product(en) die men verkoopt: “jugo-de-piña-naranja-papaya-jugo-de-piña-naranja-papaya-jugo-de-piña-naranja-papaya-un-dollar-un-dollar-un-dollar” “aguas-aguas-aguas-un-dollar-aguas-un-dollar-aguas-aguas-aguas”, etc. De ironie is dat ze zo hard hun best doen om het snel te zeggen dat niet meer te verstaan is wat ze nu daadwerkelijk verkopen. Maar ook bedelaars (altijd met minstens één lichaamsdeel minder dan ik) of zelfs caberetiers – die behalve een handvol kinderen nooit iemand grappig lijkt te vinden – doen een poging in de bus iets bij te verdienen. De bus in Ecuador is eigenlijk een soort rijdende marktkraam, maar dan één waarbij het cliënteel stil zit en de koopwaar aan zich voorbij gedragen ziet worden.

Verkeer
Het verkeer in Ecuador wordt gekenmerkt door veel getoeter. Ik ken dit uit veel andere landen waar ik ben geweest, maar hier doet men er nog een schepje bovenop. Ik heb een aantal regels kunnen ontdekken omtrent dit fenomeen:
– Als je eraan komt en er is ander verkeer dat mogelijk voor je wielen zou kunnen belanden, dan toeter je.- Als je op een kruising afrijdt, dan toeter je, waarna je voorrang neemt ongeacht van welke richting je komt. Je hebt immers getoeterd.
– Als je moet wachten op ander verkeer (dat daar ook niet voor de lol stil staat) dan toeter je om te laten weten dat de lokale politiek dit kruispunt anders moet inrichten.
– Als er een vrouw op de stoep loopt, dan toeter je. Stiekem gluren is immers onbeleefd.
– Als er 100 meter voor je mensen zijn overgestoken, dan toeter je alsnog om te laten weten dat je bereid was geweest ze te waarschuwen, mocht je al dichterbij zijn geweest.
– Als er absoluut niets aan de hand is, geen enkel dreigend gevaar, geen enkele belemmering voor een vlotte thuiskomst,  dan verveel je je de pleuris. Dus dan toeter je!

Een andere regel is dat politie-auto’s altijd met zwaailicht aan rijden. Sterker nog, ze staan ook geparkeerd met zwaailicht aan. We zijn een keer langs een politie-auto gelopen die geparkeerd stond, zijn zwaailicht aan had en ondertussen een spelletje op zijn telefoon aan het spelen was!

In Nederland kennen we natuurlijk ook straatartiesten. Maar ik ben erachter gekomen dat de onzen maar laf zijn. Een straatartiest in Ecuador staat niet rustig aan de rand van een winkelstraat te wachten op wat er voorbij komt lopen. Nee, de Ecuadoriaanse straatartiest gaat bij een verkeerslicht staan en op het moment dat het licht op rood springt, springt hij tussen de auto’s om te jongleren of andere trucs te vertonen, net zo lang tot het licht weer op groen springt en hij, terwijl de auto’s beginnen te rijden, in allerijl langs de raampjes gaat om zijn beloning in ontvangst te nemen. Ons is opgevallen dat er vaak iets wordt gegeven. Het lijkt een soort ongeschreven regel. Zo ook om kleine onnozele dingen als kauwgom of een liga te kopen van straatverkopers. Het lijkt hun manier van het zorgen voor een uitkering voor de zwakkeren. Mensen die bij ons de pensioengerechtigde leeftijd zouden hebben em de hele dag de kranten zouden kunnen lezen, staan hier achter een stalletje en lezen de hele dag de krant.

Wat ons nog het meest intrigeerde aan het verkeer in Ecuador was dat de grote steden verschillende geluiden (voor slechtzienden) bij de verkeerslichten gebruiken. In Quito was het “pieuw! pieuw! pieuw!”, in Riobamba “niouw! niouw! niouw!” en in Cuenca “ioe! ioe! ioe!”. Het was voor ons elke keer weer spannend welk geluid de verkeerslichten nu weer zouden maken!

Ho(s)tels
Van mijn roadtrip in mijn eentje door Frankrijk enkele jaren geleden, had ik geleerd dat je veel goedkoper uit bent wanneer je met zijn tweeën reist, dan wanneer je alleen bent. Met name omdat je in hotels vaak een prijs per kamer betaalt, ongeacht met hoeveel personen je bent. Dit gaat in Ecuador niet op. Daar gaat alles in “prijs per persoon”. Bij een dormroom is dat natuurlijk volkomen logisch, maar bij privé kamers slaat het nergens op. We hebben een kamer gehad met vier bedden, waarvoor wij 10 dollar betaalden,  terwijl iemand in z’n eentje 5 dollar zou betalen, maar een groep van 4 personen in totaal 20 dollar kwijt zou zijn geweest. En dat voor dezelfde kamer met allevier de bedden! Een irritante bijkomstigheid was dat het voor ons niet altijd duidelijk was of onze reisgids bij prijsindicaties nu de prijs per persoon of per kamer hanteerde. We hebben sowieso geleerd om deze prijsindicaties met een korreltje zout te nemen. We vermoeden dat zo gauw een hostel of restaurant in zo’n boek terecht komt, ze hun toename in populariteit vieren met een prijsverhoging. Logisch, maar voor ons natuurlijk erg jammer!

Wat voor ons erg wennen was, was de schaarste aan warm water. Voor hotels is het feit dat ze warm water hebben,  belangrijk om mee te adverteren. Als je een hotel binnenloopt, zegt de receptionist bij als eerste: “hay duchas con agua caliente” (“er zijn douches met warm water”). Deze belofte geeft overigens absoluut geen garantie voor een lekkere warme douche. Soms is er alsnog geen warm water (of slechts voor één persoon) en als dat er wel is, is het soms weer zo heet, dat je bijna liever koud doucht. In veel gevallen is er slechts één knop, die zowel de temperatuur als hoeveelheid water regelt. Hoe meer water je wil, hoe kouder je zal moeten douchen. En vaak is de grens tussen koud en heet erg klein. Als je dan eindelijk een prettige temperatuur hebt samengesteld is de kans vrij groot dat in één keer de hoeveelheid warm water toeneemt of afneemt en dan kun je weer opnieuw beginnen. Conclusie: ik ben al aardig gewend aan koud douchen!
De locaties van de douches zijn soms ook bijzonder. We hebben al meerdere malen meegemaakt dat een douche net naast (zonder gordijn) of zelfs half boven een wc-pot hangt. Zeer efficiënt!
In de wc’s mag je geen papier gooien. En we hebben inmiddels genoeg voorbeelden gezien van waarom dat is. Soms snap je niet dat mensen (Europeanen) dat dan alsnog blijven doen. Er staat dus altijd keurig een prullenbakje naast de pot en het is soms maar hopen dat die regelmatig geleegd wordt. De Ecuadorianen hebben echter wel een maatregel genomen om te voorkomen dat het gaat stinken: wc-papier met een geurtje! Al het wc-papier in Ecuador heeft een zoet-fris geurtje dat andere nare geurtjes verdoezelt.

Wat wél zeer betrouwbaar is in Ecuadoriaanse hotelkamers, is de aanwezigheid van televisie. Met de sleutel van de kamer, krijg je een afstandsbediening overhandigd, die je bij vertrek weer in moet leveren.
Televisie is erg belangrijk in Ecuador. In restaurants, winkels, overal staat er een aan en er wordt ook naar gekeken! Het hoogtepunt hierin was een groot tv-scherm in Baños, langs de weg voor een ingang van een overdekte markt, waarop een aflevering van Mr Bean werd afgespeeld. Voor mij totaal onduidelijk voor wie dit bedoeld was, aangezien zelfs in Ecuador mensen niet op de stoep stil gaan staan om Mr Bean te kijken. De winkeliers hebben hun eigen tv en de automobilisten (die het vast zwaar hebben omdat ze geen tv kunnen kijken) zijn te druk met toeteren.
Het belang van televisie brengt me op de luxe die in veel huizen veel meer aanwezig is dan ik van tevoren had verwacht. Het verschil tussen de buitenkant van de huizen en wat er aan de binnenkant in staat is opvallend. Zoals een Ecuadoriaan ons zelf vertelde: mensen geven niet om het uiterlijk van hun huizen en daarom lijkt het armoedig, maar als je bij ze naar binnen kijkt, staat het vol met de nieuwste apparatuur. Het uiterlijk is dus duidelijk geen goede graadmeter voor welvarendheid. Voor het oog is het erg jammer dat ze niet iets meer  aandacht daaraan besteden. Het meest opvallend bij een groot deel van de Ecuadoriaanse huizen is dat er geen ‘echt’ dak op zit, maar in plaats daarvan een soort fundering voor een extra verdieping (grote stalen schroeven uit dikke betonpalen verspreid over het dak), die men wellicht ooit hoopt te gaan bouwen, maar wat er in de meeste gevallen nooit van komt…

Er is ons vast nog een hoop meer opgevallen, maar dat komt dan een andere keer nog wel ter sprake.

Veel liefs van ons!

Advertisements

Van Loja naar de grens en erover!

Standard

Ons laatste doel in Ecuador was: Vilcabamba. Of beter gezegd: Hostel Izhcaluma. Overal in Ecuador hingen posters met reclame voor dit hostel en het was inderdaad een bestemming op zich: betaalbare dorms in een prachtige tuin mét zwembad, gratis yoga lessen in een open studio met uitzicht op de wijde omgeving omsloten door de bergen en een erg goed betaalbaar restaurant met wederom prachtig uitzicht!
Maar… we konden er pas op donderdag terecht, terwijl we dinsdag uit Cuenca wilden vertrekken. Om die reden besloten we twee nachten door te brengen in Loja, de grootste stad in de zuidelijke punt van Ecuador. Toen we tegen de avond met de taxi vanaf het busstation de stad binnen reden, kwamen we onder een indrukwekkende stadspoort door. Dat beloofde wat! We keken er dan ook naar uit om wat meer van de stad te zien. Maar omdat het al avond was, bewaarden we dat voor de volgende dag. Althans, dat was de bedoeling. We hadden er geen rekening mee gehouden dat ik het grootste gedeelte van de nacht op de wc zou doorbrengen, en nadat ik eindelijk wat slaap had gekregen bleek toch dat mijn maag ook nog wat via de bovenkant kwijt wilde. Daarna was het gelukkig wel over met de misselijkheid (de indringer – waarschijnlijk een slecht stukje vlees van het sfeervolle restaurantje – was duidelijk uitgedreven), maar ik voelde me de rest van de dag nog wel belabberd. Lisa heeft mij liefdevol verzorgd, maar tot het avondeten hebben we niets anders dan de vier witte kale muren gezien en het harde bed gevoeld. Goede kans dus dat het een mooi stadje was, maar wij kunnen jullie er helaas weinig over vertellen!

Op donderdag 2 oktober voelde ik me weer kiplekker en vertokken we op tijd naar Vilcabamba. Daar hebben we even goed de tijd genomen om te ontspannen. Het dorpje zelf was een klein Amerikaans hippie-bolwerk (dus Lisa vond het leuk en ik moest er weinig van hebben) en zou bekend staan als “the valley of longevity” (‘vallei van lang leven’) met honderdjarigen op elke straathoek, maar daar hebben we niet veel van gezien. Omdat het hostel een klein paradijsje was, speelde ons verblijf zich voornamelijk daar af. Wel hebben we op zaterdag een mooie ‘trail’ van 4,5 uur gelopen. Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt hiervan was een bergrug waarop je zowel links als rechts de diepte in keek. De steile beklimming en afdaling hiervan kwamen het dichtst in de buurt van ‘een berg beklimmen’ van wat ik ooit had gedaan. De tocht eindigde met een stuk door een rivierbedding die droog lag. Grappig idee om daar te lopen waar soms ook water stroomt. Het werd nog even spannend toen we een koe met flinke horens tegenkwamen, maar die vond het gras gelukkig interessanter dan ons! Een leuk detail: in de tuin van Izhcaluma hadden ze een ‘groepje’ dikke, hoge bamboe staan. En wat ik niet wist en nog nooit had gehoord is dat die door de wind een enorm krakend/piepend geluid maken zoals een hekje of een oud schuurtje. Bijzonder om voorbij te lopen en te beseffen dat dat geluid daarvandaan komt!

Op zaterdagavond zijn we maar eens gaan vragen wat de handigste route naar Peru was. Ze bleken bij de receptie een hele map met informatie te hebben over een minder gangbare route die zij erg aanraden. Daarvoor moesten we op zondagmorgen de bus van Vilcabamba naar Zumba (zuidelijkste stadje van Ecuador) hebben. De bus kwam echter niet op het moment dat volgens onze informatie zou moeten. Er kwam wel een bus naar Palandra, dat al aardig in de buurt bleek te zijn en waarvan we de hoop hadden dat er daar meer bussen naar Zumba zouden vertrekken. Mooi niet dus. We moesten drie uur wachten in het dorpje waar – gezien de vele blikken onze kant uit – zelden een toerist komt, om uiteindelijk een bus te nemen die ook gewoon vanuit Vilcabamba kwam. Het werd ons ook gauw duidelijk waarom de rit van Palandra naar Zumba, ondanks dat het qua afstand niet ver was, nog meer dan drie uur moest duren: een gebrek aan asfalt, steile bergwegen en soms akelig dicht langs de afgrond. Een spannende (het meest voor Lisa, die aan het raam zat, maar zelfs verschillende Ecuadorianen zagen we af en toe opgelucht ademhalen) maar indrukwekkende rit! In Zumba overnacht, waar ik als avondeten twee stukken kip naar binnen heb moeten werken omdat er even iets mis ging met de communicatie. De volgende ochtend vroeg met een “Ranchera” (een tot bus omgebouwde vrachtwagen met open zijkanten – lijkt meer zo’n toeristenbus) naar de grens gereden (rit van 1 uur). Een bijzonder ritje in zo’n open wagen door de middle of nowhere (hoewel ik ervan versteld stond dat er op de meest afgelegen plekken nog mensen wonen), dat soms aan een safari deed denken. Het hoogtepunt was toen we opeens een jongen in de berm zagen staan met een tuinslang in zijn hand. Wat bleek: er moest getankt worden! Waar ze het vandaan haalden weten we niet, maar blijkbaar lag er een of andere tank met diesel in de bosjes. De tankdop bestond uit niets minder dan een plastic zak met een elastiekje. En met dat fraaie tafereel vers op ons netvlies, verlieten we Ecuador.

De grens stelde niet veel voor: een brug over de rivier met aan weerszijden een simpele slagboom (waar we onderdoor moesten kruipen). Aan de Ecuadoriaanse kant een mini-gebouwtje waar je je exit-stempel moet krijgen plus een winkeltje van een vrouw die ook geld wisselt. Als je de grens over gelopen (/gekropen) bent, moet je eerst naar weer zo’n gebouwtje van immigratie, dan met een formuliertje naar een politiebureautje met twee ezels in de tuin, daar worden (als de agent wakker is geworden en zijn computer heeft opgestart) je naam en gegevens weer keurig in een Excelletje gezet en wordt je formuliertje gestempeld, waarmee je dan weer terug kan naar immigratie om je entree-stempel te krijgen. Beetje gedoe, maar wel ontspannen gedoe. Inmiddels waren we een Brusselse jongen tegengekomen die (ondanks dat hij het naar eigen zeggen nooit deed) behoorlijk Nederlands sprak en die ook het Spaans wat beter beheerste dan wij. Dat bleek nog wel van pas te komen! Vanaf de grens konden we een taxi nemen (weer 1 uur) naar het eerste plaatsje over de grens: San Ignazio. Daar bleken we niet bij de goede terminal te zijn afgezet (wat later een goede gewoonte bleek te zijn), dus namen we de moto-taxi (soort tuc-tuc) met drie personen plus backpacks (de meest steile hellinkjes op waar we het gevoel hadden elk moment achterover te kunnen kiepen, maar het kan allemaal!) naar een plek waarvandaan we een “collectivo” (mini-busje; soort taxi voor meerdere personen die wacht met vertrekken tot ie vol zit) naar Jaen moesten nemen (2,5 uur). Daar hadden we de hoop op een bus (ze hadden daar tenminste een echte terminal), maar na weer een tuc-tuc ritje werd het opnieuw de collectivo naar het volgende stadje: Bagua Grande (45 min). Daar weer een tuc-tuc (daar zijn er veel van hier, van kaal en simpel naar uitgebreid versierd en opgepimped; als het verkeerslicht op groen springt, lijkt het net of er een tuc-tuc race begint!) en weer geen normale, directe bus. Na een hoop onduidelijkheid (Thank God voor de assertieve Belg) uiteindelijk toch weer een collectivo, maar slechts naar Pedro Ruiz (wederom 1 uur) en vanaf daar hetzelfde ritueel (zij het zonder tuc-tuc) om na weer een rit van 1 uur in Chachapoyas aan te komen. Chachapoyas is de hoofdstad van een regio met veel historische schatten en waarvandaan we twee leuke en boeiende dagtours hebben gedaan. Maar daarover later meer…!

Veel liefs van ons!

Baños en Baños & Cuenca

Standard

As you might have concluded from Sanders last post. Getting to baños was   quite an experience.  We arrived quite late, around 11 in the evening,  thankfully we had actually booked a hostel in advance, we usually don’t. (good thing we had, my mantra during the hellish long trip was: private room, hot shower) We stayed at Hostal Transilvania,  once you get past the weird name and the ugly dracula and three wives portrait on the wall it’s quite a nice hostel. After a well earned good night sleep we got up late the next morning and decided to lay the tent out to dry, which got soaked in Puerto Lopez. We dropped our stinky smelly clothes off at a laundrette and headed into town.

image

Baños is a nice little tourist town famous for its baths and wellness. Its full name is actually baños de agua santa. Jup, baths of holy water apparently make excellent bathing!  Its name is linked with nearby active volcano Tungurahua (try pronouncing that one) which you can actually see smoking if the top isn’t shrouded by clouds. Not the safest place to live, there are evacuation signs throughout town telling you in what direction to run if the volcano decides to erupt. Dear Tungu though also provides the hot water for the thermal baths. So the city has a love hate relationship with the volcano.

image

Back to the baths;  Las piscinas de la virgin was the first one we visited, we visited it in the evening. It’s right next to the pretty baños waterfall which is lit up at night. Wearing a Garro (swim cap) is mandatory and it’s actually quite funny seeing everyone walk around with one.  De la virgin has three baths, the hottest one was 48 degrees!!! ( jup celsius). We tried going in but failed the first time, it hurt, auch auch feet on fire style. We needed a warm up bubble in one of the other (cooler) baths first. Sander soon decided to make a second attempt at the muy caliente bath and I followed suit. Trick is to not actually move in the water, just stay still.  Moving hurts, so getting in hurts, standing still doesn’t hurt as much, but we didn’t last long. Some of the locals handeld this devils cauldron like a pro, but I was glad to see that a lot of them also tried to get in but retreated up the steps faster than you can say la cucaracha. We went to bed early that night. (aah a bath and bed, what can be better?)

The next day we hired two mountainbikes and set off early towards Puyo, a town on the edge of the amazon. This 61km long trip takes you past 5 impressive waterfalls and numerous crevices and walls sprouting water. It’s also supposed to be a mostly downhill ride. Well… I’m still not totally convinced. There was a lot of downhill, but when going downhill stops you have to go uphill and quite steeply too! After 40 km I had pushed myself too far and was crying. A break and a peptalk from Sander got me back on the road again and we made it all the way to Puyo, The gateway to the jungle. (high five time) A bus heading to Baños took us and our bikes back. We kicked back and relaxed and enjoyed the views after a long day cycling.

I’d like to insert a picture of one of these impressive cascades here, but we actually didn’t take any :p. Here’s a bridge we had to cross to reach one though 🙂

image

The most impressive cascade was Pailon del Diablo in Río Verde. The water thundered down with lots of noise and mist. There was a small cave (a sort of crack really) and climbing through (Sander on hands and knees) we were able to reach behind the waterfall, getting soaked in the progress.

image

When the sun shines, a rainbow is visible at the bottom of the waterfall. This picture might give you an idea of the impact of all that thunderous water was making. 

image

The next day we climbed the hill between baños and Tungu to Bella vista
which offers a great view of the city and a big neon cross that lights up at night and shines down on the city.

image

Baños has some really good restaurants with lots of veggie options! Cafe Good was so good, we ate there twice. And a  bottle of Chilean cabernet sauvignon got consumed at Le petit restaurant, which has some great ecuadorian/french cuisine.

After our visit to El Salado, a different bath, at the foot of the volcano, the clouds usually surrounding Tungu decided to disperse for a while and we could actually see the top, which is constantly smoking,  an impressive sight!

Faint-hearted look away now.  We found the delicacy of Ecuador roasting outside the market; Cuy!

image

After four great days we left baños and boarded a bus to Riobamba. We stayed there a for one night and continued on to Cuenca,  Ecuadors third largest city. ( pronounced koewenka)

Cuenca reminded us more of what an old colonial town should look like than Quito. The colonial houses, palm tree filled squares and massive church made quite an impression. The city was also full of students (finally women my age in Ecuador who aren’t pregnant or carrying a kid around) and has a nice ambiance. It reminded both of us of Nijmegen.
Cuenca just about closes down on Sundays, so we decided to visit a nearby indigenous village Gualaceo.  There was supposed to be a big Sunday market,  but by the time we arrived it was probably already over,  we couldn’t find it.  Oh well, bus back to Cuenca.
We started of early on Monday and decided to visit the sombrero museum,  which was more a big hat shop with a few old artefacts with which they used to make hats. Apparently they use sulfur to bleach the hats.

image

Jup,  Sander looks scary in that picture! ( I was showing the hat, he says) so we had to take another picture. Which reminds me of a certain 80 something year old singer who’s name rhymes with benard stohen and who’s just released a new album. ( which Sander is dying to get somehow)

image

That night we set out for a jogg around the block, a quick evening run. We set off and were suprised to find a lot of runners around. We had hardly seen any before Cuenca. We decided to follow the river, cross it and run back. What we didn’t know was that the river splits right before we crossed. Happily following the wrong fork back, we got totally and utterly lost. We’d been gone for nearly 80 minutes before we finally got back to our hostel, exhausted, but proud of our Spanish in asking for directions. Sanders GPS watch showed us what went wrong. Valuable lesson though: when running in a strange city, follow the same route back.

After two days in Cuenca,  we left for Loja. (spoiler alert: Sander gets sick!)

Much love from both of us! 
xxxx

p.s. Now try remembering the name of that volcano 🙂

Puerto Lopez –> Baños

Standard

On monday the 22nd of September we spend a full day traveling from Puerto Lopez to Baños. During that day I spend a lot of time reading a novel called “The Damned Utd” by David Peace about a famous character in English football history, whom I had never heard of before: Brian Clough. The novel had a particular style that therefore influenced my thoughts on my experiences that day. Writing those down, this became my account of it. If the language strikes you as a bit rude, I want you (mama) to know that, compared to the book, I already cut it down a lot.

22-09-2014

An alarmclock. You wake up. Too early. Your alarmclock. So you have to wake up.
You are in your tent. The small tent. The tent that makes you feel claustrofobic.
Don’t think about it. Don’t think about breathing. Don’t think about it.
Today you are leaving Puerto Lopez. That shit-hole of a town. It’s been raining since you got here and everything’s damp and muddy. Damp and muddy. Damp and muddy. You want to go away. Out of here. Out of Puerto bloody Lopez. So you get up early and start packing your stuff.
Damp and muddy. Damp and muddy.
Everything is wet. Your clothes are wet. Your matrasses are wet. Your backpacks are wet. Even your sleeping bags are wet. And your tent. Your tent is fucking soaked.
Damp and muddy. Damp and muddy.
You planned your route. You decided to go over north. You could go over south, via Quayaquil, but your route is shorter. You know you are right. You will have a lot of transfers. But you know you are right.
You’re on the first bus. To Jippijappa.
Is that even a real place? A name for a bar maybe, but not for a town. One big drunken village that must be.
A man is sitting next to you. Across the middle path, but next to you. The man is talking to you. Lets you suffer in Spanish before he reveals to speak good English. With a thick Spanish accent that is, but good English. The man seems very kind and interested in you.
What is he after?
He’s talking about being half-American, half-Ecuadorian.
What does he want?
And living on American insurance (“insurance” “sorry?” “insurance” “what?” “insurance” “sorry, again” “insurance, entendies?” “no, disculpe” “in-su-ran-ce” “oh, insurance!” – like I said, thick Spanish accent) but owning a hostel in Ecuador.
What is he after? What does he want?
Meanwhile he’s wondering what two African men are doing on his bus. His bus that he rides everyday. And his bus on which he has never seen these men before.
He hasn’t seen you here before either, tell him that. You can’t let him go on being racist like that.
You let it go.
He says they might be Cubans and that’s why he is anxious, because Cubans do illegal stuff so that’s why he’s anxious.
You let it go.
Then he asks you where you are going and you tell him the route you had planned.
And you know you are right.
He tells you you’d better go via Quayaquil and you ask him why.
You know you are right.
He says it will be quicker, with only two transfers.
You know you are right.
You show him the map and tell him that the ride from Quayaquil to Baños would take more than 6 hours.
You know you are right.
He tells you that you can take a special bus that will take only 4 hours.
What is he after? What does he want?
You believe him. You thank him. He helps you to buy your tickets to Quayaquil and you thank him again. Then he is gone.
He told you that he had to go to Quayaquil as well, so why is he gone? Whe didn’t he buy the same tickets as you? What did he want? What was he after?
No time to think about it, ’cause an employee of the buscompany had noticed you and the bus will leave in 15 minutes so he goes crazy, because that is what he does. He grabs you backpack
Get your filthy hands of my bloody packpack!
and runs off with it to the bus and shouts at you some more, because that is what he does. Running and shouting and running and shouting and running and shouting. Because that is what he does. Otherwise he would just be doing his job. His boring job. Just another day at the station. But not for him. ‘Cause he is running and shouting, running and shouting and running and shouting.
You arrive at the busstation in Quayaquil. You ignore the employees of different bucompanies.
Running and shouting. Running and shouting. And running and shouting.
You enter the station which is three times bigger than an average airport. You go to an office to buy your ticket for the “special bus”. You find five offices from different companies that all offer you the direct (the special bus’ speciality) busline. A man sitting on a bench shouts at you and tells you which company will get you to Baños.
What does he want? What is he after?
You know that that company will get you to Baños, but all these bloody companies will get you to fucking Baños and he can’t tell me the difference between them either, can he?
So you choose another one, the first one. Bloody expensive, so it’d better be bloody special that bus.
You are on the bus for two hours and you doubt if this bus will even take you to Baños. Your ticket says “destination: Ambato”, but you specifically mentioned Baños three times and each time they confirmed that.
You know you were right.
After 3,5 hours you know you are just halfway. You know this is no “special bus”. No “bus directo”. This is a bus that stops every 5 bloody minutes in every bloody village!
You know you were right. You should have taken your route.
After six hours you are still not there and by now you are sure that this bus won’t take you to Baños. It’s getting late. You hate it when it’s getting late.
You should have taken your route.
Ambato looks beautiful in the dark. But you hate that place. It’s been 12 hours since you left Puerto bloody Lopez and you should have been in Baños by now.
If you only would have taken your route.
The bus drives you through half of the city.
You hate that city. You despise that city.
And then it turns around and drives the same road back again.
You hate it when it’s getting late.
If you only would have taken your route.
You hate it. You despise it.
Then the bus stops. An employee asks: “¿Baños?” “Si.” He leaves the bus and runs to another one across the street.
Running and shouting. Running and shouting.
You hate it when it’s getting late.
If you only would have taken your route.
You hate it. You despise it.
He gives the other bus guy some money and there you go, on another bus. A bus that’s stopped in the middle of the road to pick you up. A bus that will take you to Baños. Out of Ambato. That beautiful lightned place in the dark mountains.
You hate it. You despise it.
But it is not over yet. You are tired. You need to pee. You want to be in you hostel.
You hate it when it’s getting late.
But the bus has stopped. Not to let you take a piss. But in the middle of a road again. And the driver is gone. And the bus guy is gone. And you are tired. You need to pee. You want to be in your hostel.
You should have taken your route. You will never take advice from a nobody again. That racist bastard. Bloody advice from a bloody nobody. Never again. You hate it when it’s getting late.
Bus guy and driver come back after 15 minutes and 45 minutes later you arrive in Baños.
Finally a movie with English subtitles and now you can’t watch it till the end!
You are in Baños. But you don’t want to be in Baños. You want to get to your hostel.
Damp and muddy.
You are in your hostel. But you don’t want to be in your hostel. You want to get to your room.
Damp and muddy.
You are in your room. But you don’t want to be in your room. You want to get to bed.
Damp and muddy.
You are in bed. Finally, after having spend 13 bloody hours in 4 bloody busses you are in your bed.
You know you were right.